Verhaal over de tijger

Toen Kees Verhey op school vertelde, dat hij naar Indië ging (zijn vader had daar een betrekking gekregen), waren er wel enige jongens jaloers. Die Kees had me ook een manier van vertellen. Toen er een van zijn kameraden vroeg "Kees, is ’t daar erg warm?" antwoordde hij: "warm?, als je daar een ijswafel koopt, moet je 'm direct helemaal in je mond steken, anders houd je water in je handen! Als ik je nou vertel, dat de kokosnoten openbarsten van de hitte!" "Da’s gek, Kees!" meende er een, "want als je ze hier koopt, zijn ze nog dicht!" Maar Kees ging verder. "Je ziet daar de tijgers nog op straat lopen, en daar wandel je gewoon tussen in!" Dat vonden ze toch een beetje al te bar. Maar Kees liet zich niet uit het veld slaan. Wijdbeens stond hij voor een groep jongens. "Ik zal je wel een paar foto’s sturen uit Indië, als ik er een paar aan ’t lijntje heb. Ik ben niet bang voor die beesten!" Hij was in Indië, de voorgalerij van het huis, waar Kees woonde, lag heet in de zon. De palmen lieten lusteloos de bladeren hangen, de weg lag stil en stoffig.

het verhaal van de tijger Vader was op kantoor, moeder was bezig in huis. Zij had het druk met koffers uitpakken en alles te regelen. Enkele bedienden liepen heen en weer. Grappig, je hoorde ze niet aankomen op d’r blote voeten. Ze stonden ineens voor je, en vroegen je dan iets, waar je niets van verstond. Dat zou over een poosje wel anders zijn. Hij kende al een paar namen. Djako was de "huisjongen", die kleine werkjes in huis te doen had, en boodschappen deed. Sarina was, wat wij hier een dienstmeisje zouden noemen, en "Kokkie", wel dat was "Kokkie", de keukenmeid. Wat die al brouwde in d’r· keuken, daar had je geen begrip van! Maar ’t was lekker, dat was zeker! Ze kon bar lelijk kijken, als je eens in de pannen wilde neuzen! Dan trok ze zulke grimassen, dat je vanzelf wegging! Dan was ’t met Djako een beetje anders! Hij was een jongen van een jaar of veertien, een jaar of drie ouder dan Kees. Kees had hem gisteren voor 't eerst ontmoet, eu al dadelijk hadden ze tegen elkaar gelachen. "Sinjo" had Djako tegen hem gezegd, wat zoveel betekent als "jongeheer", terwijl zijn vader met "toean" werd aangesproken. Ah, daar ging Djako! "Warm he, Djako?" Djako lachte maar eens, hij verstond die rare Hollandse woorden niet, maar Kees had zin om eens te praten. 't Was niets voor hem om alleen maar te kijken, ofschoon alles nieuw voor hem was.

"Zeg, Djako, zullen we eens wat gaan spelen?" Hij dacht er niet bij na, dat de huisjongen zijn werk had, en geen tijd had om spelletjes te doen. "Sinjo?" vroeg Djako, die van de hele vraag niets begrepen had. Kees keek peinzend naar hem. Lastig ook, dat hij geen Maleis kende. Maar hij moest er toch iets op vinden. Hij had nu eenmaal zin om iets te doen. Hij wees op een palmboom, waaraan hoog in de kruin een tros kokosnoten hing. "Zu11en we er een paar plukken, Djako?" Djako grijnsde. Een rij hagelwitte tanden kwam te voorschijn tussen de lippen. Hij wees op zijn blote voeten en toen op de schoenen van Kees en babbelde onderwijl een hele hoop. "Al ga ik op mijn kop staan," zei Kees, "ik versta er geen aap van." Hij wees weer op de boom. "Zul1en we er in klimmen?" En meteen zat hij al een eindje omhoog, zoals de HolIandse jongens dat doen.

Maar toen had je Djako moeten horen! Hij wist niet wat ie zag, en schaterde van ’t lachen. Verbouwereerd liet Kees zich weer zakken, om dan verwonderd naar Djako te kijken. Die pakte de stam met beide handen vast en liep zo tegen de boom op. "Dat moet je meemaken" zei Kees, "zoiets heb ik nog nooit gezien." Vlug als een aap klom Djako naar boven, maar Kees ’m achterna. Hij trok zijn schoenen en kousen uit en probeerde de Javaanse jongen na te doen. Hij bracht ’t niet hoger dan tot een halve meter van de grond. Hij keek nog eens naar Djako. Die klemde zijn voeten om de stam, zijn tenen bogen mee en heel zijn soepel lichaam. veerde met de vlugge bewegingen van handen en voeten. In enkele minuten zat hij boven in de top en schreeuwde triomfantelijk naar Kees, die nog steeds verwoede pogingen deed, zijn voorganger te volgen. Toen gaf hij 't maar op en lachte hartelijk met Djako mee. Even, een waarschuwing en suizend viel een kokosnoot langs de gladde Stam, vlak voor Kees z’n voeten neer. En nog een, en nog een. "Houd maar op," riep Kees, "er zijn er genoeg! Maar over een paar dagen doe ik 't zelf!" Hij wachtte tot Djako beneden was. Samen liepen ze terug naar huis, en net wilde Kees naar binnen stappen om de kokosnoten aan moeder te laten zien of .... met een harde gil liep hij weer het erf op, terwijl zijn ogen groot werden van angst. Hij voelde met zijn handen aan zijn schouders. Terwijl hij zo kalm naast Djako voort liep, had hij plotseling iets zwaars gevoeld. Iets dat op zijn rug sprong, en langs z'n nek kriebelde.

En nu voelde hij met zijn handen twee harige poten en een warme adem streek langs zijn hals en hoofd. Hij begon te rennen, terwijl hij probeerde het onbekende, dat zich aan hem vastgeklampt had, af te werpen. Maar het dier, of wat het dan ook was, klampte zich voortdurend vaster aan zijn kleren. Hij voelde scherpe nagels, die langs zijn vel gleden. Het angstzweet brak hem uit. "Een tijger," riep hij, "een tijger! Moeder! Moeder! Djako! Help me! Hij wil me opeten!" Hij liep terug naar Djako. In doodsangst. Het zweet droop van zijn gezicht, terwijl hij alle mogelijke moeite deed, het dier van zich af te schudden. En Djako? Djako lachte. In zijn angst hoorde Kees het nog duidelijk. "Help me, Djako! Maak hem dood!" Toen vond Djako het genoeg. Hij liep snel naar Kees toe en nam het dier van zijn schouders. Kees klappertandde, maar kon toch niet nalaten, even te kijken naar "de tijger". En wat zag hij? Een klein aapje, zoals er zoveel in Indië zijn, en die als huisdier gehouden worden. Een onschuldig diertje, dat op zijn manier kennis wilde maken met "sinjo" Kees! Diezelfde avond hoorde hij, dat het diertje van de administrateur was. Het liep altijd vrij over de weg en was goede vrienden met iedereen. Maar Kees moest die avond toch nog even denken aan zijn vriendjes in Holland, wie hij een foto zou sturen van de tijgers, als ie ze aan de lijn had! (T. MACCO)


Bron

geschikt voor Roomse kinderen Tijdschriften speciaal voor de jeugd zijn er al sinds begin van de vorige eeuw. Van mijn vader kreeg ik ooit een set weekbladen genaamd "weekblad voor de Rooms jeugd" uit 1940. De tijdschriften waren gedrukt op het goedkope papier wat men in de tweede wereldoorlog gebruikte en de tijdschriften vielen af en toe bijna uit elkaar. Met een beetje zorg heb ik de bladen wat hersteld en in een ringband map gedaan. Als kind las ik de verhalen van de kabouters Jaap, Joop en Joep en Jan Jokkebrok. Ook stonden er strips in als "12 ambachten, dertien ongelukken" en mooie verhalen uit Nederlands Indië. Sommige verhalen heb ik mijn kinderen zelfs nog voorgelezen maar in die tijd had men nog niet zo'n medelijden met de tere kinderzieltjes en van sommige verhalen konden de kinderen echt niet slapen. Op dit deel van de site wil ik een deel van dit materiaal in digitale vorm opslaan voor de toekomstige generaties. Dit zal ik proberen zoveel mogelijk in de vorm van teksten te doen maar ook zal ik proberen de oorspronkelijke afbeeldingen en zelf de advertenties te scannen en op te slaan. Ik wens u veel leesplezier en hoop dat alles wat ik hier neerzet ondertussen rechtenvrij is. Vriendelijke groet, Hein Pragt

Last update: 05-11-2022


Disclaimer: Hoewel de heer Pragt de informatie beschikbaar op deze site met grote zorg samenstelt, sluit hij alle aansprakelijkheid uit. Op de artikelen van de heer Pragt rust auteursrecht, overname van tekst en afbeeldingen is uitsluitend toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming. Heinpragt.com is ingeschreven bij de KvK onder nummer: 73839426 en is gevestigd in Veenendaal.  Lees hier de privacyverklaring van deze site. Voor informatie over adverteren op deze site kunt u contact opnemen met: (heinpragt@outlook.com).