Inspirerende verhalen (2)

Op deze pagina staan diverse korte inspirerende verhalen met een moraal en levenswijsheden die mij persoonlijk aanspreken. Deze vaak leerzame verhalen worden vaak gebruikt om een verhaal dat speelt in deze tijd kracht bij te zetten of een standpunt of levenswijsheid te illustreren in een speech of presentatie. Een ander woord voor dit soort korte verhalen is een parabel (Grieks voor “vergelijking”) waarbij het ook om een kort verhaal gaat, gewoonlijk gesitueerd in het dagelijks leven, dat dient om een religieus, moreel of filosofisch idee te illustreren. Met vriendelijke groet, Hein Pragt

Doel voor ogen.

Er was eens een boer die drie zonen had van wie hij veel hield. Hij werd echter wat ouder en moest beslissen welke van zijn zoons het land en alle bezittingen zou erven. De boer besloot om alle drie zoons dezelfde kans te geven en nam ze mee naar de akker. Daar vertelde hij zijn zoons dat degene die aan de andere kant van de akker zou komen via de meest rechte lijn het bedrijf zou erven. De oudste zoon mocht beginnen. Hij begon te lopen, keek nu en dan om en stuurde bij. De tweede zoon die dat zag, besloot om achterstevoren te lopen. De derde zoon nam een boom aan de horizon in het vizier en liep er recht op af. Hij won. De moraal van dit verhaal is: met een duidelijk doel voor je ogen krijg je het beste resultaat.

Het zwaard van Damocles.

Dionysius was een koning die vier eeuwen voor Christus leefde. Hij was rijk en woonde in een duur en groot paleis. Hij doeg dure kleren en juwelen en had zelfs een groep wijze mannen om zich heen die hem moesten prijzen om zijn ego te behagen. Een van die mannen was Damocles die de koning vertelde hoe goed het leven van een koning toch was. Dionysius zei daarop tegen Damocles: “Als je denkt dat mijn leven zo geweldig is, zou je dan niet met mijn willen ruilen?” Damocles wilde dat wel en Dionysius liet alles in orde brengen zodat Damocles het leven van de koning kon ervaren. Damocles had het heel erg naar zijn zin tot hij een heel groot zwaard ontdekte dat boven zijn hoofd hing aan een dunne paardenhaar. Hij schrok hevig en vroeg aan Dionysius waarom dit zwaard boven zijn hoofd hing. De koning vertelde toen dat zijn leven er wel heel erg comfortabel uitzag maar dat het leven van een koning ook dermate gevaarlijk was dat er symbolisch altijd een zwaard boven zijn hoofd hing. Damocles bedacht zich snel en ging terug naar zijn arme maar veel veiliger leven.

Het paard van Troje.

Het verhaal begint met de drie godinnen Hera, Athena en Aphrodite. Deze vroegen de Trojaanse prins Paris de mooiste onder hen te kiezen. Afrodite won deze weddenschap door Paris de liefde van een supermooie vrouw te beloven. Paris zeilde naar Griekenland waar hij gastvrij werd onthaald door Helena, de vrouw van de Spartaanse koning Menelaos. Volgens de Griekse legende was Helena de mooiste vrouw van de wereld. De mooie Helena was getrouwd maar liet zich onder de invloed van de godin Aphrodite overtuigen om met Paris naar de stad Troje te gaan. Dit was de beloning voor Paris van de godin Aphrodite. De boze bedrogen koning Menelaos trommelde alle Griekse koningen op en zeilde met een leger van wel duizend schepen, zijn vrouw achterna waarna een negenjarige belegering van de stad Troje zou beginnen. Na negen jaar vergeefse belegering werd Troje ingenomen dankzij een sluwe list. De Grieken bouwden een groot houten paard waarin ze een aantal soldaten verborgen. Deze lieten ze buiten de stad achter waarna ze deden alsof ze zich terug trokken naar hun schepen. De Trojanen geloofden dat de Grieken het paard gebouwd hadden als eerbetoon voor hun moedig verzet. Tijdens het feest ter ere van het einde van de belegering haalden de Trojanen in een dolle feestvreugde het paard binnen de muren van hun stad. Die nacht verlieten Griekse krijgers de houten buik van het paard en brandden Troje plat. Afrodite liet daarna Paris ontkomen in een wolk en Helena keerde met haar man Menelaos weer terug naar Sparta. Maar de goden waren boos door alles wat was voorgevallen en hun terugtocht duurde jaren. Helena en Menelaos leefden daarna nog lang en gelukkig.

In dit verhaal zit meer dan 1 moraal zoals het manipuleren in de liefde, overspel en te goed vertrouwen.

De weg van Zen.

Een oude Zenmeester en zijn leerling waren aan het wandelen in een uitgestrekt bos. De leerling vroeg zijn meester: “Meester, wat is de weg van Zen?” De meester antwoordde: “Hoor je de vogels? Zie je de zon? Zie, ik verberg niets voor jou!”

Samenwerken.

Het gebeurde eens dat een groot bos in brand raakte. Er waren twee mensen in het bos, de een was blind en de ander was lam en kon dus niet lopen. Beide mannen hadden op zichzelf geen schijn van kans om het bos tijdig te verlaten. Dus sloten ze een overeenkomst, de blinde nam de lamme op zijn schouders en omdat de lamme man kon zien en de blinde kon lopen werden ze tot één man. Ze kwamen het bos uit en redden hun leven.

Leegmaken.

Een professor van een universiteit ging eens bij een bekende Zenmeester op bezoek. Terwijl de Zenmeester rustig thee inschonk, praatte de professor over Zen. De Zenmeester schonk de kom vol tot aan de rand en bleef daarna door schenken. De professor keek naar de kom die overstroomde totdat hij zich niet langer kon beheersen. “Stop, de kom is helemaal vol, er kan niets meer bij!” stamelde de professor. “U bent net als deze kom met thee,” antwoordde de Zenmeester, “Hoe kan ik u Zen laten zien als u niet eerst uw eigen kom leeg maakt?”

Twee monniken en een vrouw.

Twee monniken die op reis waren kwamen bij een rivier aan, waar ze een vrouw ontmoetten. Omdat de vrouw bang was voor de stroming in de rivier vroeg ze of de monniken haar naar de overkant wilden dragen. Een van de monniken aarzelde, maar de andere zette haar op zijn schouders, stak het water over en zette haar neer op de oever aan de overkant van de rivier. De vrouw bedankte hen en vertrok. Terwijl de monniken hun reis vervolgden, was de ene monnik in zichzelf gekeerd en aan het broeden. Niet meer in staat om het zwijgen te bewaren zei hij wat hem dwars zat. “Broeder, onze spirituele training leert ons elk contact met vrouwen te mijden, maar jij pakte haar op je schouders en droeg haar!” “Broeder”, antwoordde de andere monnik, “Ik heb haar neergezet aan de overkant, terwijl jij haar nog steeds bij je draagt.”

Eerlijk delen.

Er waren eens een leeuw, een ezel en een vos, die gezamenlijk op jacht gingen. Ze hadden succes en vingen een luipaard. De leeuw zei tegen de ezel: “Verdeel jij nu eerlijk de buit”. En de ezel deelde scrupuleus nauwkeurig in drie gelijke delen, waarop de leeuw zo woedend werd, dat hij de ezel opat. Bleven over de leeuw en de vos. Zij gingen weer op jacht. Opnieuw hadden zij succes en ’s avonds was er weer een luipaard gevangen. De leeuw zei tegen de vos: “Verdeel dat nu eens eerlijk”. De vos hield één oortje voor zich en de rest kwam aan de leeuw. Toen zei de leeuw: “jij hebt goede manieren, wie heeft je dat geleerd?”. “De ezel”, zei de vos.

Tekens van rijkdom

Een vader van een welgestelde familie nam zijn zoon op een dag mee voor een reis over het platteland om zijn zoon te laten zien hoe rijk ze waren en hoe arm andere mensen kunnen zijn. De man en zijn zoon verbleven een paar dagen op een boerderij van een familie die met moeite rond kon komen. Toen vader en zoon na een paar dagen weer terugreden naar hun landgoed, vroeg de vader aan zijn zoon wat hij van de afgelopen dagen vond. “Ik vond het geweldig, vader”, zei de zoon. “Heb je nu ontdekt hoe arm mensen kunnen zijn?” vroeg de vader. “Ja, ik heb veel geleerd”, antwoordde de zoon. “Ik zag dat zij vier honden hebben, terwijl wij er maar een hebben. Ik zag dat zij een beekje hebben dat doorloopt tot het eind van de wereld terwijl wij een vijver hebben die maar tot halverwege de oprit komt. Wij gebruiken lantaarns, terwijl zij iedere nacht naar de sterren kunnen kijken en ons landgoed loopt maar tot aan de weg, terwijl zij de wereld tot aan de horizon hebben. Wij hebben bedienden die voor ons zorgen, terwijl zij voor anderen zorgen. Wij hebben muren om ons landgoed staan om ons te beschermen, terwijl zij vrienden hebben om hen te beschermen.” De vader zweeg verbijsterd en toen sprak zijn zoon: “Dank u vader dat u mij hebt laten zien hoe arm we eigenlijk zijn.”

Het verhaal van de onmogelijke erfenis van de Arabier.

Een oude Arabier die zijn levenseinde voelde naderen, gaf aan dat hij zijn hele bezit van zeventien kamelen als volgt onder zijn drie zonen wilde verdelen. Hassan, de oudste zoon, zou de helft van de kamelen krijgen. Mohammed, de tweede zoon, had recht op een derde deel van het bezit van zijn vader. En Mustafa, de jongste zoon, zou een negende deel ontvangen. De oude Arabier stierf en zijn zonen probeerden het bezit van hun vader eerlijk te verdelen. Zij konden echter op geen enkele manier tot een besluit komen, omdat het getal zeventien nu eenmaal niet door twee, niet door drie en niet door negen deelbaar is. Er brak een heftige broedertwist uit omdat geen van drie een eerlijke verdeling kon bedenken. Op dat ogenblik kwam in de verte een derwisj aangereden die als toegewijd muzelman, zittend op zijn kameel, voortdurend de lof van Allah zong. Bij het dorp aangekomen steeg hij af en vroeg aan de broers wat hun probleem was. Daarop sprak hij: “Ik ben uit Mekka gekomen en ik bezit niets anders dan mijn kameel, maar Allah heeft mij opgedragen jullie mijn rijdier af te staan, zodat jullie volgens de wil van jullie gestorven vader zijn bezittingen kunnen verdelen. Ik weet zeker dat ik een andere kameel zal vinden waarop ik mijn reis kan voortzetten, want Allah voorziet in al onze noden.” Toen ze de kameel van de heilige pelgrim bij hun kudde dreven, hadden ze niet meer zeventien, maar achttien dieren en zo ontving: Hassan de helft van achttien, dus 9 kamelen, Mohammed een derde van achttien, dus 6 kamelen en Mustafa een negende van achttien, dus 2 kamelen. Dit was dus in het totaal 9 + 6 + 2 = 17 kamelen. Verwonderd zagen de broers hoe de derwisj zijn kameel weer besteeg, die bij de verdeling was overgebleven. Terwijl hij nog steeds de lof van Allah zong, zette hij zijn reis voort.

Het verhaal van de veerman en de monnik

Er waren eens twee broers die zonen waren van een veerman. Als kind al voeren zij met hun vader voorbijgangers heen en weer over de rivier. De betaling was maar karig in de vorm van één dubbeltje per persoon. Het werk was zeer eentonig en niet erg geestverheffend en daarom besloot de oudste zoon om meer diepgang aan zijn leven te gaan geven. Hij verliet het huisje aan de rivier, zijn ouders en broer en trad in bij een boeddhistisch monnikenklooster. Na vele jaren van meditatie, zoeken naar het hogere en naar de verborgen krachten in de menselijke geest, gebeurde het dat hij op reis moest naar een ander klooster. Hierbij passeerde hij onderweg het ouderlijke huis, hij klopte aan en na veel hartelijke omhelzingen en vreugdetranen vertelde men elkaar hoe ieders leven tot nu toe verlopen was. Na enige tijd nam de monnik weer afscheid en na alle goede wensen over en weer liepen beide broers met hun vader naar het veerbootje. De broer die nog steeds veerman was vroeg aan zijn broer die nu monnik was: “Wat heb je nu eigenlijk in de afgelopen zeven jaar in dat klooster geleerd?”. “Ik zal het je laten zien,” zei de monnik en hij daalde af naar de oever van de rivier. Hij liep over het water naar de overkant, zwaaide daar nog eenmaal vaarwel en verdween tussen de bomen. “Dan is, wat hij in die zeven jaar in dat klooster geleerd heeft, precies één dubbeltje waard,” zei de vader en ging weer tevreden aan het werk.

Het verhaal van verdriet en hoop

Er was eens een kleine vrouw die langs een stoffige veldweg kwam. Ze was wel al tamelijk oud maar haar loop was licht en haar lachen, had de frisse glans van een onbezorgd meisje. Bij een inéén gekrompen gedaante bleef ze staan en keek naar beneden. Ze kon niet veel herkennen. Het wezen dat daar in het stof op de weg zat leek bijna figuurloos. Het deed haar denken aan een grauwe flanellen deken met menselijke vormen. Ze bukte zich en vroeg “Wie ben jij?” Twee bijna levenloze ogen keken moe ophoog. “Ik? Ik ben het Verdriet.” Fluisterde een stem stamelend en zo zacht dat ze het bijna niet kon horen. “Och, het Verdriet!”, riep de kleine vrouw blij alsof ze een oude bekende begroette. “Je kent mij?” vroeg het Verdriet wantrouwend. “Natuurlijk ken ik jou. Steeds weer heb je mij een stuk weg begeleid”. “Ja maar, stotterde het Verdriet, Waarom vlucht je dan niet voor mij?” “Waarom zou ik voor je vluchten, mijn liefje? Je weet toch zelf maar al te goed dat je elke vluchteling inhaalt. Maar wat ik je wilde vragen, waarom zie je er zo moedeloos uit?’ “Ik… Ik ben verdrietig” antwoordde de grauwe gedaante met gebroken stem. De kleine oude vrouw ging naast haar zitten. “Je bent dus verdrietig” zei ze en knikte vol begrip met haar hoofd. “Vertel me eens wat jou zo bedrukt.” Het Verdriet zuchtte diep. Zou dit keer echt iemand luisteren? Dat had ze zich al zo vaak gewenst. “Ach, weet je, begon ze voorzichtig, het is zo. Niemand mag mij. Het is nu eenmaal mijn bestemming om onder de mensen te gaan en een tijdje bij ze te blijven. Maar als ik kom schrikken ze terug. Ze zijn bang voor mij en mijden me als de pest.” Het Verdriet slikte hard. “Ze hebben spreekwoorden uitgevonden met welke ze me willen verbannen. Ze zeggen “Ach, het leven is een groot feest”. En hun valse lachen leidt tot maagkrampen en ademnood. Ze zeggen “Geërgerd is datgene wat hard maakt”. En dan krijgen ze hartpijnen. Ze zeggen “Je moet je maar bij elkaar houden” En ze voelen het getrek in de schouders en de rug. Ze zeggen dat alleen zwakkelingen huilen. En de opgekropte tranen doen hun hoofd bijna uit elkaar springen. Of ze verdoven zich met alcohol of drugs opdat ze mij maar niet hoeven voelen.” “Och ja, bevestigde de vrouw, zulke mensen ben ik al vaker tegen gekomen!’ Het Verdriet zakte nog verder in elkaar.”En dat terwijl ik alleen maar de mensen wil helpen. Als ik heel dicht bij ze ben kunnen ze zich zelf ontmoeten. Ik help hen een nest te bouwen waar ze hun wonden in kunnen verzorgen.” Wie verdrietig is heeft een erg dunne huid. Het leed breekt weer op als een slecht genezen wond en dat doet pijn. Maar alleen wie het Verdriet toe laat en alle ongehuilde tranen huilt, kan zijn wonden werkelijk genezen. Maar de mensen willen helemaal niet dat ik ze help. In plaats daarvan schminken ze een schelle lach over hun littekens. Of ze leggen een dik pantser over hun bitterheid heen.” Het Verdriet zweeg. Haar huilen was eerst zwak ,toen sterker en tenslotte erg vertwijfeld. De kleine, oude vrouw nam de in elkaar gedoken gedaante troostend in haar armen. Wat voelt ze warm en zacht aan, dacht ze en streelde zachtjes het bevende hoopje. “Huil maar, verdriet” fluisterde ze liefdevol. “Rust maar uit zodat je weer nieuwe krachten krijgt. Vanaf nu zal je niet meer alleen zijn. Ik zal je begeleiden zodat de moedeloosheid niet meer aan de macht is.” Het Verdriet stopte met huilen. Ze ging rechtop zitten en bekeek haar nieuwe met gezellin verbaasd aan. “Maar…..maar.. wie ben jij eigenlijk?” “Ik?”, vroeg de kleine oude vrouw grijzend, maar daarna lachte ze weer onbezorgd als een jong meisje, “Ik? ,ik ben de Hoop.”

Dit is het verhaal van Allen, Iedereen, Iemand en Niemand.

Er was eens een klusje te doen en allen waren ervan overtuigd dat iemand het zou doen.
Iedereen kon het doen maar niemand wilde het doen.
Iemand werd kwaad omdat het iedereen zijn taak was.
Allen dachten dat iemand het kon doen, maar iedereen realiseerde zich dat niemand het wilde doen.
Tenslotte beschuldigde iedereen iemand terwijl niemand deed wat ze met zijn allen konden doen.

Meer pagina’s met mooie verhalen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *