Wijsheden

Inspirerende verhalen (3)

Op deze pagina staan diverse korte inspirerende verhalen met een moraal en levenswijsheden die mij persoonlijk aanspreken. Deze vaak leerzame verhalen worden vaak gebruikt om een verhaal dat speelt in deze tijd kracht bij te zetten of een standpunt of levenswijsheid te illustreren in een speech of presentatie. Een ander woord voor dit soort korte verhalen is een parabel (Grieks voor “vergelijking”) waarbij het ook om een kort verhaal gaat, gewoonlijk gesitueerd in het dagelijks leven, dat dient om een religieus, moreel of filosofisch idee te illustreren. Met vriendelijke groet, Hein Pragt

De fabel van de drie broeders.

(Naar een lied van Fons Jansen)

Er waren eens drie broers die samen door de wereld trokken. Het waren vrijheid, gelijkheid en broederschap. De vrijheid was het rijkst en op een dag merkte gelijkheid dit op. Hij zei “omdat jij rijk bent en ik niet zijn we niet meer gelijk”. De vrijheid vond dat gelijkheid zich maar aan hem moest aanpassen. Maar gelijkheid zei “ik wil niet zijn zoals jij, als we niet gelijk kunnen zijn dan liever niet meer vrij”. De broers kregen grote ruzie en besloten om uit elkaar te gaan. De vrijheid trok naar het westen en werd een wereldmacht. De gelijkheid koos het oosten en heeft het ook ver gebracht. Maar wie heeft er nog ooit iets gehoord van die broederschap…

De kruik die stuk was.

Een waterdrager moet elke dag voor zijn meester naar de rivier om water te halen. Aan weerszijden van zijn lichaam hing een kruik aan een houten juk. De ene kruik was zo goed als nieuw, puntgaaf en zonder lek, de andere kruik was oud en gebarsten en hij verloor permanent water. Bij thuiskomst blijkt de helft van deze kruik soms al leeg te zijn en dat deed de oude kruik veel verdriet. Op een dag kan hij het niet meer voor zich houden en zegt tegen de waterdrager, meester ik schaam me zo. Maar waarom dan toch, vraagt de waterdrager. Omdat ik niet in de schaduw van uw andere kruik kan staan. Hij levert dagelijks de volle inhoud water af, terwijl ik onderweg steeds water verlies. Oh, maar dat wist ik immers al lang, antwoordt de waterdrager. En toch heb ik je al die tijd graag willen gebruiken. Zijn die mooie bloemen langs de weg je dan niet opgevallen? Ze groeien alleen maar aan jouw kant. Enige tijd geleden heb ik daar zaad uitgestrooid, jij hebt ze elke dag begoten en nu kan ik steeds een prachtig boeket plukken voor mijn heer. Een tijdje komt er geen antwoord van de gebarsten kruik, zo heeft hij het nog nooit bekeken. Hij heeft die bloemen wel zien groeien, maar dat zijn meester hem bewust in dienst heeft gehouden en dat hij hem ondanks alle gebreken toch kan gebruiken, dat was nog nooit bij hem opgekomen.

Kennis en wijsheid.

Een meester had een leerling die hem op een dag smeekte de Naam van Macht van hem te mogen ontvangen. De meester beloofde dit verzoek in overweging te nemen en gaf hem in de tussentijd de volgende opdracht. De leerling moest een kom, afgedekt met een deksel, naar een heremiet brengen die op enige afstand woonde. De opdracht was om, voortdurend denkend aan God, de weg af te leggen en de kom in ongeopende toestand over te dragen aan de heremiet. Daarna moest hij wachten op eventueel commentaar. De leerling had het vaste voornemen om stipt te gehoorzamen en verheugde zich er al op ingewijd te worden in de kennis en geheimen. Maar het uitvoeren van de opdracht viel niet mee. Halverwege de tocht meende hij een geluid te horen vanuit de kom. Zijn nieuwsgierigheid was tot het uiterste geprikkeld, maar hij hield zich aan zijn opdracht en beheerste zich. Even later leek het wel of zich iets in de kom bewoog. De leerling kon opeens aan niets anders meer denken dan aan wat er toch in de kom zat. Wat zou het toch kunnen zijn? Misschien was het wel een schorpioen, misschien liep de heremiet straks gevaar. Hij voelde zich overrompeld door de drang om te weten wat er in de kom bewoog en vergat zijn vastberadenheid om te gehoorzamen. Zichzelf wijsmakend dat hij uit plichtsbesef handelde, zette hij de kom neer en tilde de deksel voorzichtig een klein stukje op om naar binnen te kijken. Maar zodra hij dat deed, wrong een klein muisje zich door de zo ontstane opening en glipte weg voordat de leerling hem kon tegenhouden. De kom bleek verder leeg te zijn. Zonder iets van zijn fout te laten merken, voerde de leerling de rest van de opdracht uit. Hij begroette de heremiet, overhandigde de inmiddels weer afgesloten kom en vroeg welk antwoord hij mee terug kon nemen. Het antwoord, zei de heremiet indringend, is dat iemand die zich niet beheerst en geen geheim kan bewaren niet geschikt is om de Naam van Macht te leren.

Je eigen mening volgen.

Hier volgt een voorbeeld van een verhaal van Hodja, een Turkse godsdienstonderwijzer en lesgever in de Koran. Op een dag gingen Hodja en zijn zoon op reis. Hodja gaf er zelf de voorkeur aan te lopen en zette zijn zoon op de rug van de ezel. Zo gingen zij op weg tot zij een paar mensen tegenkwamen die zeiden: “Zie daar de wereld op zijn kop. De jeugd heeft geen respect meer voor de ouderdom. Die gezonde jongen rijdt op een ezel, terwijl zijn arme, vermoeide vader nauwelijks vooruit komt.” Toen de jongen dit hoorde stond hem het schaamrood op de kaken. Hij stapte af en stond erop dat zijn vader verder zou rijden. Zo liepen ze voort, Hodja op de ezel en de jongen te voet. Even later kwamen ze weer mensen tegen die zeiden: “Moet je dat zien! Wat een ontaarde vader, die zelf lekker op de ezel zit en zijn kind laat lopen.” Na dit verwijt draaide de Hodja zich naar zijn zoon en zei: “Kom, dan zullen we samen op de ezel rijden.” Zo vervolgden ze hun weg, tot zij mensen tegenkwamen die zeiden: “Kijk, dat arme beest! Zijn rug zakt door onder het gewicht van hen beiden, wat een dierenbeulen!” Daarop zei Hodja tot zijn zoon: “Laten we afstappen. Het is beter dat we allebei te voet gaan, dan kan niemand ons nog verwijten maken.” Zo liepen ze verder achter hun ezel. Tot een stel voorbijgangers wederom commentaar leverde: “Zie wat voor dwazen er op de wereld zijn. Ze lopen in de brandende zon en geen van beiden denkt eraan op de ezel te gaan zitten.” Hodja draaide zich om naar zijn zoon en zei: “Je hebt het gezien, mijn zoon. Hoe je je ook gedraagt, op en aanmerkingen zullen altijd je deel zijn. Leer daarom je eigen mening te volgen.”

Proberen.

Een goeroe raadde zijn studenten aan om drie keer per dag te mediteren. De meeste van zijn volgelingen keken hem wat bezwaard aan. Hun commentaar was bijna gelijkluidend: “Ik zal het proberen.”. De goeroe knikte ernstig en terwijl hij terug liep naar zijn zitplaats, viel het boek dat hij onder zijn arm had op de grond. Verstoord draaide hij zich om, bukte voorover, reikte naar het boek, maar greep er tien centimeter naast. Keer op keer greep hij vergeefs naar het boek. Zijn studenten keken hem verbijsterd aan. “Probeer jij het ook eens”, daagde de goeroe een van hen uit. De student liep naar het boek, boog voorover, pakte het boek en reikte het zijn goeroe aan. Die sloeg boos het boek uit de handen van de student en zei: “Ik vroeg je niet het boek op te pakken, ik vroeg je alleen maar het te proberen!”

Socrates en de drie zeven.

De Griekse wijsgeer Socrates, liep eens door de straten van Athene toen plotseling een man opgewonden naar hem toe kwam. “Socrates, ik moet je iets vertellen over je vriend die…”. “Ho eens even”, onderbrak Socrates hem, “voordat je verder gaat, heb je het verhaal dat je mij wilt vertellen gezeefd door de drie zeven?”. “De drie zeven?”, vraagt de man verbaasd. “Laten we het proberen”, stelde Socrates voor. “De eerste zeef is de zeef van de waarheid, heb je onderzocht of het waar is wat je mij vertellen wilt?”. “Nee”, zei de man, “ik hoorde het zojuist vertellen en…”. “Ah juist!”, zei Socrates, “dan is het toch zeker wel door de tweede zeef gegaan, de zeef van het goede.”. “Is het iets goeds wat je over mijn vriend wilt vertellen?”. Aarzelend antwoordt de man: “Eeeh nee, dat niet, integendeel…”. “Hm”, zei de wijsgeer. “Laten we dan de derde zeef gebruiken, is het noodzakelijk om mij te vertellen wat jou zo opwindt?”. “Nee, niet direct noodzakelijk”, antwoordde de man. “Welnu”, zei Socrates glimlachend. “Als het verhaal dat je vertellen wilt, niet waar is, niet goed is en niet noodzakelijk is, vergeet het dan en val mij er niet mee lastig.”.

De schoenen van Ghandi

Mahatma Ghandi stapt op een dag op de trein in India en terwijl hij instapt, verloor hij een van zijn schoenen. De schoen belande vlak naast het spoor en omdat de trein begon te rijden, kon Ghandi zijn schoen niet meer pakken. Kalm deed hij ook zijn andere schoen uit en gooit die beheerst naar de schoen die al naast het spoor lag. Een medepassagier vroeg Ghandi verbaasd waarom hij dat deed en Ghandi glimlachte en zei: “Die arme man die mijn verloren schoen langs het spoor vindt, vindt nu een paar dat hij kan gebruiken.”.

Voedsel voor de ziel

Dit verhaal speelde in het oude wilde westen, twee cowboys en een indiaan zijn de hele dag bezig met het opdrijven van koeien. Aan het einde van de dag hebben de cowboys het er met elkaar over dat ze honger hebben en samen dromen ze over de uitgebreide maaltijden die ze gaan eten wanneer ze eindelijk bij een stadje zijn aangekomen. Een van de cowboys vroeg de indiaan of hij geen honger had en de indiaan haalde zijn schouders op en zei: “nee, ik heb geen honger.”. Een uur later kwamen de drie aan in een stadje en terwijl ze in een restaurant zaten te eten, zagen de cowboys dat de indiaan het ene na het andere bord vol schepte. “Hoe kan dat nou”, zei een van de cowboys, “nu eet je alsof je dagen niet gegeten hebt, terwijl je een uur geleden nog zei dat je geen honger had.” De indiaan keek de cowboys kauwend aan en zei: “het was niet slim om op dat moment honger te hebben, een uur geleden was er geen eten.”.

Meer pagina’s met mooie verhalen

Inspirerende verhalen (2)

Op deze pagina staan diverse korte inspirerende verhalen met een moraal en levenswijsheden die mij persoonlijk aanspreken. Deze vaak leerzame verhalen worden vaak gebruikt om een verhaal dat speelt in deze tijd kracht bij te zetten of een standpunt of levenswijsheid te illustreren in een speech of presentatie. Een ander woord voor dit soort korte verhalen is een parabel (Grieks voor “vergelijking”) waarbij het ook om een kort verhaal gaat, gewoonlijk gesitueerd in het dagelijks leven, dat dient om een religieus, moreel of filosofisch idee te illustreren. Met vriendelijke groet, Hein Pragt

Doel voor ogen.

Er was eens een boer die drie zonen had van wie hij veel hield. Hij werd echter wat ouder en moest beslissen welke van zijn zoons het land en alle bezittingen zou erven. De boer besloot om alle drie zoons dezelfde kans te geven en nam ze mee naar de akker. Daar vertelde hij zijn zoons dat degene die aan de andere kant van de akker zou komen via de meest rechte lijn het bedrijf zou erven. De oudste zoon mocht beginnen. Hij begon te lopen, keek nu en dan om en stuurde bij. De tweede zoon die dat zag, besloot om achterstevoren te lopen. De derde zoon nam een boom aan de horizon in het vizier en liep er recht op af. Hij won. De moraal van dit verhaal is: met een duidelijk doel voor je ogen krijg je het beste resultaat.

Het zwaard van Damocles.

Dionysius was een koning die vier eeuwen voor Christus leefde. Hij was rijk en woonde in een duur en groot paleis. Hij doeg dure kleren en juwelen en had zelfs een groep wijze mannen om zich heen die hem moesten prijzen om zijn ego te behagen. Een van die mannen was Damocles die de koning vertelde hoe goed het leven van een koning toch was. Dionysius zei daarop tegen Damocles: “Als je denkt dat mijn leven zo geweldig is, zou je dan niet met mijn willen ruilen?” Damocles wilde dat wel en Dionysius liet alles in orde brengen zodat Damocles het leven van de koning kon ervaren. Damocles had het heel erg naar zijn zin tot hij een heel groot zwaard ontdekte dat boven zijn hoofd hing aan een dunne paardenhaar. Hij schrok hevig en vroeg aan Dionysius waarom dit zwaard boven zijn hoofd hing. De koning vertelde toen dat zijn leven er wel heel erg comfortabel uitzag maar dat het leven van een koning ook dermate gevaarlijk was dat er symbolisch altijd een zwaard boven zijn hoofd hing. Damocles bedacht zich snel en ging terug naar zijn arme maar veel veiliger leven.

Het paard van Troje.

Het verhaal begint met de drie godinnen Hera, Athena en Aphrodite. Deze vroegen de Trojaanse prins Paris de mooiste onder hen te kiezen. Afrodite won deze weddenschap door Paris de liefde van een supermooie vrouw te beloven. Paris zeilde naar Griekenland waar hij gastvrij werd onthaald door Helena, de vrouw van de Spartaanse koning Menelaos. Volgens de Griekse legende was Helena de mooiste vrouw van de wereld. De mooie Helena was getrouwd maar liet zich onder de invloed van de godin Aphrodite overtuigen om met Paris naar de stad Troje te gaan. Dit was de beloning voor Paris van de godin Aphrodite. De boze bedrogen koning Menelaos trommelde alle Griekse koningen op en zeilde met een leger van wel duizend schepen, zijn vrouw achterna waarna een negenjarige belegering van de stad Troje zou beginnen. Na negen jaar vergeefse belegering werd Troje ingenomen dankzij een sluwe list. De Grieken bouwden een groot houten paard waarin ze een aantal soldaten verborgen. Deze lieten ze buiten de stad achter waarna ze deden alsof ze zich terug trokken naar hun schepen. De Trojanen geloofden dat de Grieken het paard gebouwd hadden als eerbetoon voor hun moedig verzet. Tijdens het feest ter ere van het einde van de belegering haalden de Trojanen in een dolle feestvreugde het paard binnen de muren van hun stad. Die nacht verlieten Griekse krijgers de houten buik van het paard en brandden Troje plat. Afrodite liet daarna Paris ontkomen in een wolk en Helena keerde met haar man Menelaos weer terug naar Sparta. Maar de goden waren boos door alles wat was voorgevallen en hun terugtocht duurde jaren. Helena en Menelaos leefden daarna nog lang en gelukkig.

In dit verhaal zit meer dan 1 moraal zoals het manipuleren in de liefde, overspel en te goed vertrouwen.

De weg van Zen.

Een oude Zenmeester en zijn leerling waren aan het wandelen in een uitgestrekt bos. De leerling vroeg zijn meester: “Meester, wat is de weg van Zen?” De meester antwoordde: “Hoor je de vogels? Zie je de zon? Zie, ik verberg niets voor jou!”

Samenwerken.

Het gebeurde eens dat een groot bos in brand raakte. Er waren twee mensen in het bos, de een was blind en de ander was lam en kon dus niet lopen. Beide mannen hadden op zichzelf geen schijn van kans om het bos tijdig te verlaten. Dus sloten ze een overeenkomst, de blinde nam de lamme op zijn schouders en omdat de lamme man kon zien en de blinde kon lopen werden ze tot één man. Ze kwamen het bos uit en redden hun leven.

Leegmaken.

Een professor van een universiteit ging eens bij een bekende Zenmeester op bezoek. Terwijl de Zenmeester rustig thee inschonk, praatte de professor over Zen. De Zenmeester schonk de kom vol tot aan de rand en bleef daarna door schenken. De professor keek naar de kom die overstroomde totdat hij zich niet langer kon beheersen. “Stop, de kom is helemaal vol, er kan niets meer bij!” stamelde de professor. “U bent net als deze kom met thee,” antwoordde de Zenmeester, “Hoe kan ik u Zen laten zien als u niet eerst uw eigen kom leeg maakt?”

Twee monniken en een vrouw.

Twee monniken die op reis waren kwamen bij een rivier aan, waar ze een vrouw ontmoetten. Omdat de vrouw bang was voor de stroming in de rivier vroeg ze of de monniken haar naar de overkant wilden dragen. Een van de monniken aarzelde, maar de andere zette haar op zijn schouders, stak het water over en zette haar neer op de oever aan de overkant van de rivier. De vrouw bedankte hen en vertrok. Terwijl de monniken hun reis vervolgden, was de ene monnik in zichzelf gekeerd en aan het broeden. Niet meer in staat om het zwijgen te bewaren zei hij wat hem dwars zat. “Broeder, onze spirituele training leert ons elk contact met vrouwen te mijden, maar jij pakte haar op je schouders en droeg haar!” “Broeder”, antwoordde de andere monnik, “Ik heb haar neergezet aan de overkant, terwijl jij haar nog steeds bij je draagt.”

Eerlijk delen.

Er waren eens een leeuw, een ezel en een vos, die gezamenlijk op jacht gingen. Ze hadden succes en vingen een luipaard. De leeuw zei tegen de ezel: “Verdeel jij nu eerlijk de buit”. En de ezel deelde scrupuleus nauwkeurig in drie gelijke delen, waarop de leeuw zo woedend werd, dat hij de ezel opat. Bleven over de leeuw en de vos. Zij gingen weer op jacht. Opnieuw hadden zij succes en ‘s avonds was er weer een luipaard gevangen. De leeuw zei tegen de vos: “Verdeel dat nu eens eerlijk”. De vos hield één oortje voor zich en de rest kwam aan de leeuw. Toen zei de leeuw: “jij hebt goede manieren, wie heeft je dat geleerd?”. “De ezel”, zei de vos.

Tekens van rijkdom

Een vader van een welgestelde familie nam zijn zoon op een dag mee voor een reis over het platteland om zijn zoon te laten zien hoe rijk ze waren en hoe arm andere mensen kunnen zijn. De man en zijn zoon verbleven een paar dagen op een boerderij van een familie die met moeite rond kon komen. Toen vader en zoon na een paar dagen weer terugreden naar hun landgoed, vroeg de vader aan zijn zoon wat hij van de afgelopen dagen vond. “Ik vond het geweldig, vader”, zei de zoon. “Heb je nu ontdekt hoe arm mensen kunnen zijn?” vroeg de vader. “Ja, ik heb veel geleerd”, antwoordde de zoon. “Ik zag dat zij vier honden hebben, terwijl wij er maar een hebben. Ik zag dat zij een beekje hebben dat doorloopt tot het eind van de wereld terwijl wij een vijver hebben die maar tot halverwege de oprit komt. Wij gebruiken lantaarns, terwijl zij iedere nacht naar de sterren kunnen kijken en ons landgoed loopt maar tot aan de weg, terwijl zij de wereld tot aan de horizon hebben. Wij hebben bedienden die voor ons zorgen, terwijl zij voor anderen zorgen. Wij hebben muren om ons landgoed staan om ons te beschermen, terwijl zij vrienden hebben om hen te beschermen.” De vader zweeg verbijsterd en toen sprak zijn zoon: “Dank u vader dat u mij hebt laten zien hoe arm we eigenlijk zijn.”

Het verhaal van de onmogelijke erfenis van de Arabier.

Een oude Arabier die zijn levenseinde voelde naderen, gaf aan dat hij zijn hele bezit van zeventien kamelen als volgt onder zijn drie zonen wilde verdelen. Hassan, de oudste zoon, zou de helft van de kamelen krijgen. Mohammed, de tweede zoon, had recht op een derde deel van het bezit van zijn vader. En Mustafa, de jongste zoon, zou een negende deel ontvangen. De oude Arabier stierf en zijn zonen probeerden het bezit van hun vader eerlijk te verdelen. Zij konden echter op geen enkele manier tot een besluit komen, omdat het getal zeventien nu eenmaal niet door twee, niet door drie en niet door negen deelbaar is. Er brak een heftige broedertwist uit omdat geen van drie een eerlijke verdeling kon bedenken. Op dat ogenblik kwam in de verte een derwisj aangereden die als toegewijd muzelman, zittend op zijn kameel, voortdurend de lof van Allah zong. Bij het dorp aangekomen steeg hij af en vroeg aan de broers wat hun probleem was. Daarop sprak hij: “Ik ben uit Mekka gekomen en ik bezit niets anders dan mijn kameel, maar Allah heeft mij opgedragen jullie mijn rijdier af te staan, zodat jullie volgens de wil van jullie gestorven vader zijn bezittingen kunnen verdelen. Ik weet zeker dat ik een andere kameel zal vinden waarop ik mijn reis kan voortzetten, want Allah voorziet in al onze noden.” Toen ze de kameel van de heilige pelgrim bij hun kudde dreven, hadden ze niet meer zeventien, maar achttien dieren en zo ontving: Hassan de helft van achttien, dus 9 kamelen, Mohammed een derde van achttien, dus 6 kamelen en Mustafa een negende van achttien, dus 2 kamelen. Dit was dus in het totaal 9 + 6 + 2 = 17 kamelen. Verwonderd zagen de broers hoe de derwisj zijn kameel weer besteeg, die bij de verdeling was overgebleven. Terwijl hij nog steeds de lof van Allah zong, zette hij zijn reis voort.

Het verhaal van de veerman en de monnik

Er waren eens twee broers die zonen waren van een veerman. Als kind al voeren zij met hun vader voorbijgangers heen en weer over de rivier. De betaling was maar karig in de vorm van één dubbeltje per persoon. Het werk was zeer eentonig en niet erg geestverheffend en daarom besloot de oudste zoon om meer diepgang aan zijn leven te gaan geven. Hij verliet het huisje aan de rivier, zijn ouders en broer en trad in bij een boeddhistisch monnikenklooster. Na vele jaren van meditatie, zoeken naar het hogere en naar de verborgen krachten in de menselijke geest, gebeurde het dat hij op reis moest naar een ander klooster. Hierbij passeerde hij onderweg het ouderlijke huis, hij klopte aan en na veel hartelijke omhelzingen en vreugdetranen vertelde men elkaar hoe ieders leven tot nu toe verlopen was. Na enige tijd nam de monnik weer afscheid en na alle goede wensen over en weer liepen beide broers met hun vader naar het veerbootje. De broer die nog steeds veerman was vroeg aan zijn broer die nu monnik was: “Wat heb je nu eigenlijk in de afgelopen zeven jaar in dat klooster geleerd?”. “Ik zal het je laten zien,” zei de monnik en hij daalde af naar de oever van de rivier. Hij liep over het water naar de overkant, zwaaide daar nog eenmaal vaarwel en verdween tussen de bomen. “Dan is, wat hij in die zeven jaar in dat klooster geleerd heeft, precies één dubbeltje waard,” zei de vader en ging weer tevreden aan het werk.

Het verhaal van verdriet en hoop

Er was eens een kleine vrouw die langs een stoffige veldweg kwam. Ze was wel al tamelijk oud maar haar loop was licht en haar lachen, had de frisse glans van een onbezorgd meisje. Bij een inéén gekrompen gedaante bleef ze staan en keek naar beneden. Ze kon niet veel herkennen. Het wezen dat daar in het stof op de weg zat leek bijna figuurloos. Het deed haar denken aan een grauwe flanellen deken met menselijke vormen. Ze bukte zich en vroeg “Wie ben jij?” Twee bijna levenloze ogen keken moe ophoog. “Ik? Ik ben het Verdriet.” Fluisterde een stem stamelend en zo zacht dat ze het bijna niet kon horen. “Och, het Verdriet!”, riep de kleine vrouw blij alsof ze een oude bekende begroette. “Je kent mij?” vroeg het Verdriet wantrouwend. “Natuurlijk ken ik jou. Steeds weer heb je mij een stuk weg begeleid”. “Ja maar, stotterde het Verdriet, Waarom vlucht je dan niet voor mij?” “Waarom zou ik voor je vluchten, mijn liefje? Je weet toch zelf maar al te goed dat je elke vluchteling inhaalt. Maar wat ik je wilde vragen, waarom zie je er zo moedeloos uit?’ “Ik… Ik ben verdrietig” antwoordde de grauwe gedaante met gebroken stem. De kleine oude vrouw ging naast haar zitten. “Je bent dus verdrietig” zei ze en knikte vol begrip met haar hoofd. “Vertel me eens wat jou zo bedrukt.” Het Verdriet zuchtte diep. Zou dit keer echt iemand luisteren? Dat had ze zich al zo vaak gewenst. “Ach, weet je, begon ze voorzichtig, het is zo. Niemand mag mij. Het is nu eenmaal mijn bestemming om onder de mensen te gaan en een tijdje bij ze te blijven. Maar als ik kom schrikken ze terug. Ze zijn bang voor mij en mijden me als de pest.” Het Verdriet slikte hard. “Ze hebben spreekwoorden uitgevonden met welke ze me willen verbannen. Ze zeggen “Ach, het leven is een groot feest”. En hun valse lachen leidt tot maagkrampen en ademnood. Ze zeggen “Geërgerd is datgene wat hard maakt”. En dan krijgen ze hartpijnen. Ze zeggen “Je moet je maar bij elkaar houden” En ze voelen het getrek in de schouders en de rug. Ze zeggen dat alleen zwakkelingen huilen. En de opgekropte tranen doen hun hoofd bijna uit elkaar springen. Of ze verdoven zich met alcohol of drugs opdat ze mij maar niet hoeven voelen.” “Och ja, bevestigde de vrouw, zulke mensen ben ik al vaker tegen gekomen!’ Het Verdriet zakte nog verder in elkaar.”En dat terwijl ik alleen maar de mensen wil helpen. Als ik heel dicht bij ze ben kunnen ze zich zelf ontmoeten. Ik help hen een nest te bouwen waar ze hun wonden in kunnen verzorgen.” Wie verdrietig is heeft een erg dunne huid. Het leed breekt weer op als een slecht genezen wond en dat doet pijn. Maar alleen wie het Verdriet toe laat en alle ongehuilde tranen huilt, kan zijn wonden werkelijk genezen. Maar de mensen willen helemaal niet dat ik ze help. In plaats daarvan schminken ze een schelle lach over hun littekens. Of ze leggen een dik pantser over hun bitterheid heen.” Het Verdriet zweeg. Haar huilen was eerst zwak ,toen sterker en tenslotte erg vertwijfeld. De kleine, oude vrouw nam de in elkaar gedoken gedaante troostend in haar armen. Wat voelt ze warm en zacht aan, dacht ze en streelde zachtjes het bevende hoopje. “Huil maar, verdriet” fluisterde ze liefdevol. “Rust maar uit zodat je weer nieuwe krachten krijgt. Vanaf nu zal je niet meer alleen zijn. Ik zal je begeleiden zodat de moedeloosheid niet meer aan de macht is.” Het Verdriet stopte met huilen. Ze ging rechtop zitten en bekeek haar nieuwe met gezellin verbaasd aan. “Maar…..maar.. wie ben jij eigenlijk?” “Ik?”, vroeg de kleine oude vrouw grijzend, maar daarna lachte ze weer onbezorgd als een jong meisje, “Ik? ,ik ben de Hoop.”

Dit is het verhaal van Allen, Iedereen, Iemand en Niemand.

Er was eens een klusje te doen en allen waren ervan overtuigd dat iemand het zou doen.
Iedereen kon het doen maar niemand wilde het doen.
Iemand werd kwaad omdat het iedereen zijn taak was.
Allen dachten dat iemand het kon doen, maar iedereen realiseerde zich dat niemand het wilde doen.
Tenslotte beschuldigde iedereen iemand terwijl niemand deed wat ze met zijn allen konden doen.

Meer pagina’s met mooie verhalen

Inspirerende verhalen (1)

Op deze pagina staan diverse korte inspirerende verhalen met een moraal en levenswijsheden die mij persoonlijk aanspreken. Deze vaak leerzame verhalen worden vaak gebruikt om een verhaal dat speelt in deze tijd kracht bij te zetten of een standpunt of levenswijsheid te illustreren in een speech of presentatie. Een ander woord voor dit soort korte verhalen is een parabel (Grieks voor “vergelijking”) waarbij het ook om een kort verhaal gaat, gewoonlijk gesitueerd in het dagelijks leven, dat dient om een religieus, moreel of filosofisch idee te illustreren. Met vriendelijke groet, Hein Pragt.

Het verhaal van de echo.

Een man en zijn zoon lopen in het bos, plotseling struikelt de jongen en omdat hij een scherpe pijn voelt roept hij: “Ahhhh”. Verrast hoort hij een stem vanuit de bergen die “Ahhhh” roept. Vol nieuwsgierigheid roept hij: “Wie ben jij?”, maar het enige antwoord dat hij terugkrijgt is: “Wie ben jij?”. Hij wordt kwaad en hij roept: “Je bent een lafaard!”, waarop de stem antwoordt: “Je bent een lafaard!”. Daarop kijkt de jongen naar zijn vader en vraagt: “Papa, wat gebeurt hier?”. De man antwoordt: “Zoon, let op!” en hij roept vervolgens: “Ik bewonder jou!”. De stem antwoordt: “Ik bewonder jou!”. De vader roept: “Jij bent prachtig!” en de stem antwoordt: “Jij bent prachtig!”. De jongen is verbaasd, maar begrijpt nog steeds niet wat er aan de hand is. Daarop legt de vader uit: “De mensen noemen dit ECHO, maar in feite is dit het LEVEN! Het leven geeft je altijd terug wat jij erin binnen brengt. Het leven is een spiegel van jouw handelingen. Als je meer liefde wilt, geef dan meer liefde! Wil je meer vriendelijkheid, geef dan meer vriendelijkheid! Als je begrip en respect wenst, geef dan begrip en respect. Wil je dat mensen geduldig en respectvol met je omgaan, geef hen dan geduld en respect! Deze natuurwet gaat op voor elk aspect van ons leven.”. Het leven geeft je altijd terug wat jij erin brengt, het is geen toeval, maar een spiegel van jouw eigen handelingen.

Geluk

Er was eens een boer die een arm plattelandsdorpje woonde. De boer werd als iemand in goeden doen beschouwd, want hij had een paard dat hij gebruikte om mee te ploegen en ook om er allerlei dingen mee te vervoeren. Op een dag ging zijn paard ervandoor. Alle buren vonden dit vreselijk, maar de boer zei alleen maar; “Ach wat is pech en wat is geluk”. Een paar dagen later kwam het paard terug en bracht ook nog twee wilde paarden mee. De buren vonden allemaal dat hij geweldig geluk had gehad, maar de boer zei alleen: “Ach, wat is geluk en wat is pech”. De volgende dag probeerde de zoon van de boer op een van de wilde paarden te rijden. Het paard wierp hem af en de zoon brak een been. De buren boden hun medeleven aan met deze tegenspoed, maar de boer zei opnieuw: “Ach, wat is pech en wat is geluk”. Een week later kwamen er militairen naar het dorp om jonge mannen te rekruteren voor de verplichte krijgsdienst. De zoon van de boer wilden ze niet hebben vanwege zijn gebroken been. Toen de buren lieten weten dat hij toch wel geluk had gehad, antwoordde de boer: “Ach wat is geluk en wat is pech”. De moraal, geluk is niet afhankelijk van externe omstandigheden maar hoe je er zelf mee omgaat.

Vertrouwen.

Een bakker kreeg boter van een boer en de boer brood van de bakker. Na een tijdje viel het de bakker op dat de stukken boter van de boer, die drie pond zouden moeten wegen, steeds lichter werden. Zijn weegschaal gaf hem gelijk en hij klaagde zijn boterleverancier aan bij de rechter. Uw stukken boter zouden niet het vereiste gewicht hebben, zei de rechter tegen de boer. Dit stuk zou drie pond moeten wegen, het weegt echter veel minder. Dat is uitgesloten, meneer de rechter, zei de boer, ik heb het elke keer nagewogen. Misschien kloppen uw gewichten niet, meende de rechter. Hoezo gewichten, vroeg de boer stomverwonderd, ik heb helemaal geen gewichten, die gebruik ik nooit. Maar waar weegt u dan mee als u geen gewichten heeft, vroeg de rechter. Heel eenvoudig, zei de boer, ik krijg mijn brood van de bakker en hij krijgt boter van mij. Een brood weegt drie pond dus leg mijn boter links op de weegschaal en een brood rechts en zo weeg ik dat af.

Roddelen.

Een boer die allerlei roddelpraat over iedereen vertelde kreeg spijt en vroeg aan de rabbi hoe hij boete kon doen. Verzamel een zak vol kippenveren, ga daarmee het hele dorp door en leg op ieder erf bij elke deur een veer. De boer deed wat hem was opgedragen en vroeg aan de rabbi of hij daarmee genoeg had gedaan. Nee, nog niet, zei de rabbi, nu moet je een zak nemen, langs al die huizen gaan en elke veer die je er hebt neergelegd weer oppakken en verzamelen. Maar dat is toch een onmogelijke opgave, protesteerde de boer. De meeste veren zijn al lang door de wind weggeblazen. Toen antwoordde de rabbi, zo is het nu ook met jouw roddelpraatjes. Je spreekt ze zo gemakkelijk uit, maar hoezeer je het ook probeert, terughalen kun je ze niet.

Spiegelen.

Een Indisch sprookje vertelt over een hond die in een kamer rond rende, waarvan alle wanden van spiegels voorzien waren. Plotseling zag hij veel honden, en hij werd woedend, liet zijn tanden zien en gromde. Alle honden in de spiegel werden even woedend, lieten hun tanden zien en gromden. De hond schrok en begon rondjes te lopen tot hij eindelijk in elkaar stortte. Had hij maar eenmaal met zijn staart gekwispeld, dan hadden al zijn spiegelbeelden hetzelfde vriendelijke gebaar teruggegeven.

De speld in de hooiberg.

De speld in de hooiberg was heel trots op zichzelf en zei tegen iedereen die het wilde horen, ik ben die speld in de hooiberg waar iedereen het altijd over heeft. Op een dag had de hooiberg genoeg van die eeuwige opschepperij. De speld was wel belangrijk, maar dat gold ook voor de hooiberg. Dus besloot de hooiberg om er vandoor te gaan en de speld in zijn sop gaar te laten koken. Arme speld, hij was geen speld in een hooiberg meer maar gewoon een doodordinaire speld, zoals er zoveel waren. De nuttige gedachte achter dit verhaal is, je moet je nooit als een speld in een hooiberg voelen als je niet heel goed beseft dat je alles in je leven aan die hooiberg te danken hebt.

Zelfbeheersing

Er was eens een jongen met zeer weinig zelfbeheersing. Zijn vader gaf hem een zak spijkers en zei tegen hem dat elke keer als hij zijn zelfbeheersing verloor, hij een spijker in de achterkant van de schutting moest slaan. De eerste dag sloeg de jongen 37 spijkers in de schutting. Over de volgende paar weken, toen hij leerde om zijn kwaadheid onder controle te krijgen, werd het aantal spijkers dat hij in de schutting sloeg geleidelijk aan minder. Hij zag in dat het gemakkelijker was om zijn zelfbeheersing niet te verliezen, dan al die spijkers in de schutting te slaan. Uiteindelijk, kwam de dag dat de jongen zijn zelfbeheersing niet meer verloor. Hij vertelde dit aan zijn vader en zijn vader stelde voor dat de jongen nu voor elke dag dat hij zijn zelfbeheersing behield hij een spijker uit de schutting haalde. De dagen gingen voorbij en de jonge man was eindelijk zover dat hij zijn vader kon vertellen dat alle spijkers waren verdwenen. De vader nam de jongen bij de hand en ging met hem naar de schutting. Hij zei: “Je hebt het goed gedaan, mijn zoon, maar kijk nu eens naar al die gaten in de schutting. De schutting zal nooit meer hetzelfde zijn. Als je dingen zegt in woede, dan laten ze een litteken achter net als deze gaten. Je kunt iemand met een mes steken en het mes er weer uit trekken. Het maakt niet uit hoe vaak je zegt dat het je spijt, de wond zal er blijven.” Een verbale wond is even erg als een fysieke wond.

Op zoek naar de waarheid.

Een leerling vroeg eens aan zijn meester, meester hoe hoog moet ik klimmen om de waarheid te vinden? Zijn meester keek hem aan, en na een lange stilte zei hij, de waarheid is dichtbij je op de grond, maar je wilt je niet bukken om haar op te rapen.

Verschil in perspectief.

Zeven leerlingen maakten met hun meester ergens in het verre Oosten een ochtendwandeling. In het prille zonlicht schitteren de dauwdruppels. Bij een grote dauwdruppel liet de meester halt houden. Hij schaarde de leerlingen zo rondom de druppel dat de zon erop bleef schijnen en vroeg hen toen welke kleur de druppel had. Rood zei de eerste, oranje zei de tweede, geel zei de derde, groen zei de vierde, blauw zei de vijfde, paars zei de zesde en de zevende zei violet. Ze stonden verbaasd over deze verschillen, en aangezien ze er allen zeker van waren dat ze het goed zagen, kregen ze bijna ruzie. Toen liet de meester hen van plaats wisselen. En heel langzaam drong het tot hen door dat zij ondanks de verschillen van hun waarneming, toch allen de waarheid hadden gesproken.

Samen sterk.

Er was eens een man die drie zonen had. Tot groot verdriet van de man maakten de drie jongens altijd ruzie. Op een dag zei de vader, breng me zoveel takken als je kunt dragen! De jongens renden het bos in om takken te verzamelen en ieder kwam terug met een bos takken. Neem nu ieder 1 tak zei de vader en probeer die te breken. Hartstikke makkelijk zeiden de jongens en ze braken hun stokken in twee. Bind nu alle stokken met een touw samen zei de vader en probeer nu de hele bos takken te breken. Ze probeerden het om de beurt, maar de takken die afzonderlijk zo gemakkelijk gebroken konden worden, waren samengebonden zo sterk als staal. Zie je zei hun vader, wat jullie met deze stokken doen kan ook met jullie gebeuren. Wanneer je altijd alleen voor jezelf vecht, ben je alleen en kun je gemakkelijk aangevallen en gebroken worden. Samen zijn jullie sterk, dat geldt voor stokken maar ook voor mensen.

Het verhaal van de steenhouwer.

Er was eens een man die stenen hakte uit een rots. Hij vond zijn werk veel te zwaar en droomde dat hij rijk was, en plotseling was hij rijk. Op een dag stond hij langs de weg toen er een koning voorbij kwam in een prachtige koets. Was ik maar koning dacht hij ontevreden, dat zou nog mooier zijn, en plotseling was hij koning. Met veel ruiters en paarden reed hij in een gouden koets door zijn rijk. Maar de koning begon te klagen over de hete zon, die in zijn gezicht schroeide. Ontevreden als hij was zuchtte hij en dacht, was ik maar de zon. En zie onmiddellijk was hij de zon en strooide hij zijn gouden stralen over de aarde. Totdat er een wolk kwam die zijn stralen tegenhield. Ik wou dat ik zo machtig was als die wolk, dacht hij ontevreden. En zo werd hij een wolk en kon hij de stralen van de zon tegenhouden. De wolk viel in grote druppels naar de aarde en het water stroomde woest over het land, alleen een rots bleek machtiger dan het water. Toen werd hij kwaad omdat de rots nog sterker was en wilde hij liever een rots zijn, en ook dit gebeurde. Toen kwam er een man met een scherpe beitel en grote hamer en hakte in de rots om er stenen van te maken. Toen dacht de rots, was ik maar weer die steenhouwer, het gebeurde en vanaf dat moment deed de man elke dag zijn zware werk en was tevreden.

Een verhaal over het leven

(Door Hein Pragt, gebaseerd op “A story to live by” van Ann Wells)

Mijn vriend opende de onderste lade van de kledingkast van zijn vrouw en haalde er een klein en mooi verpakt pakketje uit. “Dit is geen ondergoed” zei hij,”dit is lingerie”. Hij pakte het pakketje uit en hield een prachtige slip in de handen, het was gemaakt van echte zijde en afgezet met prachtige kant. Het prijskaartje met een enorm bedrag zat er nog aan. Ze heeft dit gekocht toen we tien jaar geleden een uitstapje maakten, maar ze heeft het nooit gedragen. Ze zei altijd dat ze het bewaarde voor een speciale gelegenheid, nou ik denk dat dit dan de speciale gelegenheid is. Hij nam de slip en deed het in de doos met kleding voor de uitvaartverzorger, zijn handen streken over het zachte materiaal en daarna sloeg hij boos de lade dicht. “Bewaar alstublieft nooit wat voor een speciale gelegenheid” zei hij ineens, “iedere dag die je leeft is een speciale gelegenheid”. Deze woorden bleven me door het hoofd spelen in de trieste dagen daarna bij het voorbereiden van de begrafenis van zijn vrouw die zo plotselinge overleden was. Ik moest ineens denken aan alle dingen die ze niet gedaan had en alle dingen die ze wel gedaan had zonder zich te realiseren hoe speciaal die dingen eigenlijk waren. Die woorden hebben mijn leven veranderd, sinds die dag lees ik meer en stof ik iets minder af, zit ik in de tuin te genieten van de vogels zonder dat ik op het onkruid let en besteed ik meer tijd aan mijn kinderen, familie en vrienden en minder tijd aan vergaderen en werk. Het leven is geen reeks ervaringen zijn die je moet ondergaan maar van ervaringen die je moet koesteren. Ik gebruik het mooie servies voor iedere speciale gelegenheid zoals een mooi rapport van mijn kinderen, de gootsteen die ontstopt is of de eerst bloesem in de lente. Ik draag mijn mooiste jas als ik naar de markt ga en doe mijn “dure” luchtje ook op als ik niet naar een feestje ga. Het winkelpersoneel heeft ook een neus, net als die mensen op het feestje. “Dat wil ik nog eens doen” of “later zal ik” en “eens ga ik” zijn zinnen die uit mijn woordenboek zijn geschrapt. Als het waard is om gezien of gehoord te worden of mee te maken dan wil ik het nu ervaren. Ik weet niet wat de vrouw van mijn vriend gedaan zou hebben als ze geweten had dat ze er morgen niet meer zou zijn. Ik denk dat ze nog even gepraat zou hebben met haar familie en vrienden. Dat ze nog even gebeld zou hebben met wat oude kennissen om oude misverstanden uit de wereld te helpen. Ik denk dat ze die avond haar favoriete eten had gegeten samen met alle mensen die ze lief had. Ik zal het nooit weten maar ik weet wel voor mijzelf dat ik boos zou zijn om al die kleine dingen die ik niet gedaan zou hebben. Boos worden op mijzelf omdat ik die ene brief niet geschreven had ondanks dat ik me het voorgenomen had. Boos omdat ik de mensen die ik lief heb niet vaak genoeg verteld had hoe veel ik van ze hou. Ik probeer niets meer uit te stellen of te bewaren voor een speciale gelegenheid en dagelijks te genieten van alle kleine dingen die mij, en de mensen die ik lief heb, gelukkig maken. Elke dag wanneer ik mijn ogen open vertel ik mijzelf dat dit een speciale dag is, want als je goed nadenkt is elke dag die je leeft een bijzondere dag, elk uur elke minuut is een speciaal geschenk.

Wachten op de steen.

(Door Hein Pragt, gebaseerd op “Wait for the brick”)

Een succesvolle jonge zakenman reed door een oude wijk met zijn nieuwe Jaguar, net iets te snel, maar hij keek goed uit voor de spelende kinderen tussen de geparkeerd auto’s. Hij zag iets bewegen en remde iets af toen hij een paar geparkeerde auto’s passeerde, maar in plaats van spelende kinderen werd er ineens een steen tegen de zijdeur van zijn nieuwe auto gegooid. Boos reed hij achteruit naar de plek waar de steen vandaan kwam en boos greep hij het eerste kind dat hij zag, duwde hem tegen de auto aan en riep: “Wat denk je dat je aan het doen bent, een steen gooien tegen mijn dure auto, dit gaat je enorm veel geld kosten, waarom doe je zoiets?”.

De jonge jongen keek hem verontschuldigend aan en zei: “Het spijt me meneer, ik wist niet meer wat ik anders moest doen, niemand wilde stoppen”. Met tranen die rolden over zijn wangen wees de jongen naar een plek achter de geparkeerde auto’s. “Het is mijn broer”, zei hij, “hij rolde van het trottoir af en viel uit zijn rolstoel en ik kan hem niet optillen!”. Nog snikkend vroeg de jongen: “wilt u me alstublieft helpen hem weer in zijn rolstoel te tillen?”. “Hij is gewond en te zwaar voor mij”. Met een brok in de keel liep de jonge zakenman naar de plek waar de jongen lag en hielp hem weer in zijn rolstoel en met zijn dure zakdoek depte hij de wonden van de jongen. Na een kort inspectie bleek het verder goed te gaan met de jongen.

“Heel erg bedankt en mag God u zegenen”, zei de jongen en nog erg onder de indruk zag de man hoe de kleine jongen zijn grote broer in de rolstoel naar huis duwde. Hij liep langzaam terug naar zijn dure auto, de schade was duidelijk zichtbaar. Toch liet hij het niet repareren, hij hield het om hem er aan te herinneren dat je nooit zo snel door het leven moet gaan dat iemand een steen moet gooien om je aandacht te krijgen. God fluistert in onze ziel en spreekt door ons hart en soms als we niet de tijd nemen om te luisteren, moet hij een steen naar ons gooien. Het is onze keuze om te luisteren naar de stem van binnen, of te wachten op de steen.

Meer pagina’s met mooie verhalen

Oordeel niet te snel

Inspiring StoriesDit verhaal kreeg ik vele jaren geleden van een Engelse collega, ik heb hier de Nederlandse vertaling geplaatst. Dit verhaal schijnt waar gebeurt te zijn en het geeft aan dat het voor de hand liggende niet altijd de oplossing is, en dat de feiten, hoe ongeloofwaardig ook, nog steeds de feiten zijn.

De auto die niet van valille-ijs hield.

Er werd een klacht ontvangen door de Pontiac afdeling van General Motors: Dit is de tweede keer dat ik u heb geschreven, en ik neem het u niet kwalijk dat u me niet hebt geantwoord, want ik klink een beetje gek, maar het is een feit dat we in onze familie een traditie hebben om ijs te eten als toetje na het avondeten. Het soort ijs varieert elke avond, nadat we hebben gegeten, stemt de hele familie over welk soort ijs we moeten hebben en ik rijd naar de winkel om het te halen. Het is ook een feit dat ik onlangs een nieuwe Pontiac heb gekocht en sindsdien hebben mijn reizen naar de ijswinkel een probleem aan het licht gebracht.

Zie u, elke keer als ik vanille-ijs koop en terugkom uit de winkel, start mijn auto niet. Wanneer ik een ander soort ijs koop, start de auto prima. Ik wil dat u weet dat ik deze vraag serieus neem, hoe gek het ook klinkt: ‘Wat is er aan de hand met een Pontiac waardoor hij niet start als ik vanille-ijs koop, en makkelijk start als ik een ander soort ijs koop?’

De leiding van Pontiac was begrijpelijkerwijs sceptisch over de brief, maar stuurde toch een ingenieur om het te controleren. Deze ingenieur was verrast te worden begroet door een succesvolle, duidelijk goed opgeleide man in een mooie buurt. Hij had afgesproken om de man net na het eten te ontmoeten, dus stapten de twee in de auto en reden naar de ijssalon. Het was vanille-ijs die avond en, ja hoor, toen ze terugkwamen bij de auto, wilde deze niet starten. De ingenieur kwam nog drie avonden terug. De eerste avond kocht de man chocolade ijs en de auto startte. De tweede avond kocht hij aardbei ijs en de auto startte. De derde avond bestelde hij weer vanille-ijs en de auto startte niet.

Nu weigerde de ingenieur, die een logische man was, te geloven dat de auto van deze man allergisch was voor vanille-ijs. Hij regelde daarom dat hij zijn bezoeken zou voortzetten zolang als nodig was om het probleem op te lossen. En daartoe begon hij aantekeningen te maken: hij noteerde allerlei gegevens, tijdstip, soort gasverbruik, tijd om heen en weer te rijden, etc. In korte tijd had hij een idee: de man had minder tijd nodig om vanille-ijs te kopen dan welke andere smaak dan ook. Waarom?

Het antwoord zat in de inrichting van de ijswinkel. Vanille, de meest populaire smaak, zat in een apart bakje aan de voorkant van de winkel om snel op te halen. Alle andere smaken werden achter in de winkel bewaard bij een andere toonbank waar het aanzienlijk langer duurde om de smaak te vinden en bediend te worden. Nu was de vraag voor de monteur waarom de auto niet startte als het minder tijd kostte. Toen tijd het probleem werd en niet het vanille-ijs, kwam de ingenieur snel met het antwoord: dampslot. Het gebeurde elke avond, maar door de extra tijd die nodig was om de andere smaken te krijgen, kon de motor voldoende afkoelen om te starten. Toen de man vanille kreeg, was de motor nog te heet om het dampslot te laten vervliegen. De moraal van dit verhaal: zelfs krankzinnig klinkende problemen zijn soms echt, oordeel niet te snel!

Meer pagina’s met mooie verhalen

Wacht niet op de steen

Inspiring StoriesHet volgende verhaal is een vertaling van een Engels verhaal wat mij zeer aansprak. Een jonge succesvolle manager reed in zijn mooie Jaguar door een straat in een wijk, een beetje te hard want hij had het druk. Hij probeerde wat extra op te letten bij de geparkeerde auto’s omdat er weleens kinderen tussenuit konden komen. Maar toen hij er langs reed, verscheen er geen kind, maar een steen knalde tegen zijn portier. Hij trapte op de rem en rende naar de plek waar de steen gegooid was. Hij was woedend, hij pakte het kind dat er stond, duwde het tegen de auto en schreeuwde waar de jongen in vredesnaam mee bezig was en dat de steen veel schade aan zijn dure auto veroorzaak had.

De jongen keek hem aan en verontschuldigde zich, “Alstublieft meneer, het spijt me maar ik wist echt niet meer wat ik anders moest doen. Ik gooide de steen omdat niemand wilde stoppen” en de tranen liepen van zijn gezicht toen hij naar de plek op de stoep wees. “Dat is mijn broer, hij rolde met zijn rolstoel van de stoeprand en viel eruit, ik kan hem er niet meer in krijgen!”. “Wilt u mij helpen om hem weer in zijn rolstoel te zetten, hij heeft veel pijn en is te zwaar voor mij”. Getroffen door deze woorden, viel de woede weg, slikte de jonge manager even de brok in zijn keel weg en hielp hij de jongen weer in zijn rolstoel. Hij nam zijn dure zakdoek en maakte de wonden van de jongen schoon. Hij inspecteerde de jongen even en zag dat het wel goed zou komen, “Dank u uit de naam van God” zei de jongen in de rolstoel en de jonge welbespraakte manager wist even geen woorden te vinden toen hij de jongen zijn oudere broer weg zag rijden.

Hij liep weer terug naar zijn auto en bekeek zijn deur, de schade was duidelijk zichtbaar, maar hij liet het niet repareren. Hij hield de deuk als waarschuwing, “Ga niet zo snel door het leven dat iemand een steen moet gooien om je aandacht te krijgen”. Het leven geeft ons telkens subtiele boodschappen en maar al te vaak hebben we geen tijd om er naar te luisteren, totdat iemand een steen gooit. (Deze steen kan ook een burn-out, depressie of hartaanval zijn!) Het is onze keuze om te luisteren, of te wachten op de steen.

Meer pagina’s met mooie verhalen

Oude verhalen uit 1940

Voorblad Roomse JeugdTijdschriften speciaal voor de jeugd zijn er al sinds begin van de vorige eeuw. Van mijn vader kreeg ik ooit een set weekbladen genaamd “weekblad voor de Rooms jeugd” uit 1940. De tijdschriften waren gedrukt op het goedkope papier wat men in de tweede wereldoorlog gebruikte en de tijdschriften vielen af en toe bijna uit elkaar. Met een beetje zorg heb ik de bladen wat hersteld en in een ringband map gedaan. Als kind las ik de verhalen van de kabouters Jaap, Joop en Joep en Jan Jokkebrok. Ook stonden er strips in als “12 ambachten, dertien ongelukken” en mooie verhalen uit Nederlands Indië. Sommige verhalen heb ik mijn kinderen zelfs nog voorgelezen maar in die tijd had men nog niet zo’n medelijden met de tere kinderzieltjes en van sommige verhalen konden de kinderen echt niet slapen. Op dit deel van de site wil
ik een deel van dit materiaal in digitale vorm opslaan voor de toekomstige generaties. Ik wens u veel leesplezier en hoop dat alles wat ik hier neerzet ondertussen rechtenvrij is. Vriendelijke groet, Hein Pragt.

Het verhaal van de erfenis

De ErfenisMARINUS was de zoon van een beroemden professor en, zoals het meer gaat met beroemde mensen, hij liet wel veel eer na, maar weinig geld. Daardoor kwam het, dat zijn zoon wel nog zijn studies voor advocaat kon doorzetten, doch dat hem geen geld overbleef om feesten aan te richten of zich fijne en kostbare kleren aan te schaffen. Tot er op een dag een heer bij hem aanbelde met een hoge hoed op en een aktetas onder zijn arm. “Woont hier een zekere, Martijn Klavervier?” vroeg die. “Ja, dat ben ik,” zei de student. “Dan moet ik u zeggen, dat uw oud-oom van moeders kant enige weken geleden in Amerika overleden is en u als eenigen erfgenaam benoemd heeft.” “Dan zal het nog maar de vraag zijn of hij me centen of schulden nalaat,” sprak Martijn slim, zoals het een toekomstigen advocaat past. “Hij laat u ruim 100.000 gulden na, doch heeft er een bepaling bij gemaakt.” “En die is… dat u van elke onnodige uitgave een dubbeltje per gulden aan mij moet afstaan. Als u het daarmee eens bent, kan ik u onmiddellijk het geld ter hand_stellen.”. “Natuurlijk ben ik het daarmee eens,” zei Martijn en zette zijn handtekening onder het document.

de erfenis De notaris telde hem nu het geld uit in bankjes van honderd en vijfhonderd en verliet Martijn na een veelbetekenend: tot weerziens. De student bracht de grootste helft van het geld op de bank en nog dezelfde avond bestelde hij een fijne maaltijd, waarbij hij al zijn vrienden verzocht. Er werd veel gegeten en nog meer gedronken, zodat Martijn niet eens zo heel stevig meer op zijn benen stond, toen hij na afloop van het feest den notaris tegenkwam. “U bent mij drieënzeventig dubbeltjes schuldig,” zei de notaris droog. “Wat? Is eten soms een onnodige uitgave?” “Eten niet, maar wel te veel eten en meer drinken dan men verdragen kan.” Hij heeft gelijk en ten slotte is het niet zo veel, dacht Martijn, terwijl hij betaalde. De volgende dag ging de student naar een kleermaker en liet zich een jas aanmeten. De kleermaker, in de mening, dat de jongeman een stevige, warme winterjas verlangde, liet hem donkere wollen stof zien. “0, neen” zei Martijn, “ik wil een lichte mantel hebben van het fijnste laken, geheel gevoerd met sabelbont en versierd met echt gouden knopen.”

De kleermaker vond het natuurlijk best. Hij maakte de mantel en liet Martijn er flink voor betalen. Dezelfde avond kwam de notaris om zijn dubbeltjes. Martijn kocht ‘n groot huis met wel twaalf kamers, meubels van ingelegd palissanderhout, schilderijen met brede, vergulde lijsten en leuningstoelen met rood damast. Na elke aankoop kwam de notaris om dubbeltjes. Martijn was er al zo aan gewend geraakt dat hij zich al niet eens meer afvroeg, of zijn inkopen overbodig waren of niet. Toen hij in ‘t grote huis woonde, studeerde hij niet meer maar deed de hele dag niets anders dan eten, drinken, zicht tooien en wandelen. Elke avond nodigde hij vrienden, waarmee hij tot laat ia de nacht kaartspeelde en dobbelde. Slechts een enkele keer won hij enkele dubbeltjes, doch meestal verloor hij niet zo’n klein beetje. Het is dus te begrijpen, dat zijn geld aardig begon te slinken. En nog steeds kwam die vervelende notaris om zijn dubbeltjes.

Na een poosje kreeg hij bericht van de bank, dat zijn kapitaal geheel verteerd was. Geheel van streek liep Martijn naar den notaris. “lk heb geen geld meer. Alles is op,” zei hij hopeloos. “Wat moet ik beginnen?” “Verkoop je huis en je meubels” zei de notaris, “en betaal je schulden. Als je daarna weer bij mij komt, zal ik je een som geld geven, groot genoeg om in een eenvoudig huisje te wonen en je studie voort te zetten.” “0, wat bent u goed, mijnheer de notaris!” riep Martijn. “Geen vleitaal, alsjeblieft,” sprak deze. “Al de dubbeltjes, die je me bij je onnodige uitgaven hebt afgestaan, heb ik voor je opgespaard en die geef ik je nu terug om opnieuw te beginnen. Ik hoop, dat je hebt ingezien, dat bijna al je uitgaven overbodig waren. Een mens heeft genoeg aan datgene, wat hij voor zijn noodzakelijk levensonderhoud nodig heeft.” Martijn deed, wat de notaris hem gezegd had. Hij onthield de les en leefde voortaan als een eenvoudig en tevreden man.

Abdoel en zijn vrienden

AbdoelIn de buurt van Bojolali leefde eens een kleine jongen, die Abdoel heette. Zijn moeder noemde hem Doel en zo noemden hem ook de andere, mensen uit ‘t dorp. Doel hielp z’n moeder goed. Ze was niet vlug ter been meer, omdat ze eens bij een aardbeving een groot stuk rotsblok op haar voet had gekregen. Die voet deed nog steeds pijn, wat de doekoen er ook aan deed! De doekoen was een oude vrouw, een soort ,kruidenvrouwtje” zou men kunnen zeggen. Ze beweerde wel honderd jaar te zijn en eigenlijk kon de doekoen alles! Alleen de voet van ma Abdoel beter maken kon ze niet!

Elke morgen zocht Doel houtjes, om ‘t vuur aan te maken in de kleine aarden oven, zodat ma Abdoel de rijst kon opzetten. Daarna ging Doel water halen uit de put en veegde ‘t voorerfje aan. Dan ging hij naar ‘t huis van ‘t dorpshoofd en wiedde in diens tuin het onkruid. het verhaal van abdoel en zijn vrienden “Je zult zien, uit Si Doel groeit wat goeds, hij zal ‘t nog eens ver brengen”, zei de doekoen vaak, wanneer Doel voor haar de geneeskrachtige kruiden uit ‘t bos haalde. Op een dag klaagde ma Abdoel weer eens erg over haar pijnlijke voet. “In Midden-java woont een knappe doekoen, maar daarheen te gaan en bij haar de kruiden te halen kost veel geld!” Doel vond dit allemaal erg akelig en hij zei: “Ik ga vandaag op zoek naar werk. Iedereen zal ik vragen of hij niet een kleinen Jongen nodig heeft, die het een en ander voor hem kan opknappen. Tot zelfs naar den rijksbestuurder en naar den sultan zal ik gaan.” Zijn moeder schudde ‘t hoofd, maar ze deed wat rijst in gevlochten zakjes van pandanbladeren en zei: “Deze katoepats zijn zo voedzaam, dat je aan één per dag genoeg hebt.” Doel nam zijn kapmes mee, bond de zakjes rijst om z’n middel en ging op weg. Er waren genoeg mensen die wel wilden, dat hij voor hen werkte, maar de een betaalde met een karige maaltijd en de ander gaf voor een hele dag werk slechts twee en een halve eent loon. “Op deze manier krijg ik nooit genoeg geld bij elkaar om mijn moeder te helpen,” dacht Doel en hij ging weer verder.

Toen zijn katoepats bijna op waren, kwam hij in de nabijheid van een dorp. Hij zette zich neer onder een jonge rubberboom en begon erover na te denken, hoe hij in de kortst mogelijke tijd rijk kon worden! Plotseling hoorde hij vlak bij zich een zacht gepiep en daar ontdekte hij een klein veldmuisje, dat zenuwachtig heen en weer rende tussen de wortels van de rubberboom. Uit een gat in de grond kroop een slang, die het muisje nazette. ‘t Monster was zeker van plan ‘t arme, sidderende diertje op te eten! Doel ving de veldmuis en met ‘n welgemikte slag van z’n kapmes doodde hij de slang. “0, dank je wel!” riep ‘t muisje uit. “Die lelijke slang heeft mijn hele familie al verzwolgen en nu was ik aan de beurt!” “Neem wat van mijn katoepat,” zei Doel, “en vertel me eens waar ik werk kan vinden, waarvan ik snel rijk word!” “Dat is lastig,” zei de muis met z’n mond vol rijst. “Maar ik wil je reiskameraad zijn. Wie weet, hoe ik je nog van dienst kan zijn!”

Abdoel begon te lachen, maar toch stemde hij toe. Net wilde hij opstaan om verder te gaan, toen een djalak, een zwarte vogel met gele snavel en gele poten, luid tjetterend tussen de wortels van de rubberboom heen en weer hupte. “Ha, daar ligt die lelijke eierendief!” schetterde de vogel. ,Mijn eieren roofde ‘t monster en mijn vrouwtje verslond het met huid en haar!” Hij pikte nijdig en opgewonden naar de dode slang. “Dengene, die dit harteloze wezen doodde, zal ik voor eeuwig dankbaar zijn!” “Diegene ben ik!” zei Doel. Die djalak zette zich op z’n schouder en vroeg: “Mag ik bij ic in dienst treden, kleine vreemdeling?” “Goed”, zei Doel, “maar vertel me eerst eens waar ik werk kan vinden, waarvan ik snel rijk word. Mijn zieke moeder heeft geld nodig.” “Tjep, tjelioep,” zong de djalak, “ga mee naar de kraton, ‘t paleis van den sultan. Daar is altijd wel iets te doen!” In de kraton was alles in rep en roer en hierdoor merkten de poortwachters niet dadelijk, dat er een kleine jongen met een djalak op z’n schouder en een grijs veldmuisje, dat achter hem aan trippelde, de tuin van de kraton binnensloop.

De kostbare haarspeld van de prinses was spoorloos verdwenen! Ontroostbaar was de prinses en de slavinnen besprenkelden haar hoofdje met bloemenwater om haar te kalmeren en een oude dienaar wuifde met een grote waaier van witte pauwenveren haar koelte toe. “Wie de haarspeld van mijn dochter vindt, zal ik belonen!” riep de oude sultan uit. Het was een wonderlijke haarspeld. Men kon, wanneer men ‘t ding in ‘t haar stak, een wens doen. Wanneer het een goede wens was, ging die altijd in vervulling! Een der stenen was wat los gaan zitten en de goudsmid zou deze steen vast zetten. Maar in plaats van het sieraad terug te brengen, was hij ermee verdwenen!

Abdoel ging naar den sultan toe, boog heel diep, totdat z’n voorhoofd de grond raakte en zei, dat hij de haarspeld zou gaan zoeken. “Wanneer je de speld van de prinses niet terugbrengt, laat ik je onthoofden,” zei de sultan bars. “Het is reeds een grote brutaliteit, mijn kamer ongevraagd binnen te komen.” Doel vroeg, voor onderweg, een paar katoepats mee, de voedzame rijst in korfjes van gevlochten pandanblad en toog op weg. Buiten de kratonmuur gekomen, ging hij onder een hoge koningspalm zitten. Die djalak vloog tot in ‘t topje van de palm en riep uit: “lk zie daar iemand in een uitgeholde boomstam de zee oversteken, naar ‘t land aan de overzijde. “Kom muisje ga mee! We zullen eens kijken waarom die man zo’n haast heeft!” Misschien is ‘t de goudsmid wel” riep de muis. “Ik heb geen uitgeholde boomstam om over te steken naar ‘t land aan de overzijde!” zei Doel. Die muis en de djalak gingen nu naar ‘t strand en onversaagd zwom ‘t muisje door de branding en tussen de scherpe koraalriffen door, tot het de tot het de overzijde bereikte.

De djalak vloog elk huis binnen en de muis zocht onder de baleh-baleh, de rustbanken van de mensen; knaagde aan kasten en kisten, tot ze eindelijk in een prachtig groot huis kwamen waar de baleh-baleh van ebbenhout waren en de matten op de vloer met goud en zilver doorweven waren. Op een prachtige eetmat stonden kunstig gedreven schalen van goud. In een klein kistje, dat zich weer in ‘n grotere kist bevond, ontdekte de muis de haarspeld van de prinses. “Drie steentjes links, drie steentjes rechts en een bloedrode robijn in ‘t midden,” mompelde de veldmuis bij zichzelf, “dat moet die speld van de prinses zijn.” “Laat mij de haarspeld dragen!” riep de djalak uit. “Dan wordt ‘t sieraad niet nat, want ik vlieg en jij moet zwemmem!” “Goed”, zei de muis en weer wierp hij zich moedig in de branding. Al gauw was hij midden in zee. Die djalak vloog boven hem. Doch de gulzige vogel had te veel gesnoept uit de gouden en zilveren schalen en hierdoor kreeg hij opeens de hik. Hup, daar viel de speld uit z’n snavel, in zee! De muis zag ‘t bijtijds. Hij dook de speld na en bracht die toen behouden aan !and. Toen ze beide op het strand stonden, zei de djalak “je ziet er onoogelijk uit. Je haren plakken van ‘t zeewater aan elkaar.Geef mij de speld! 1k zal die aan onzen jongen meester overhandigen.”

“Goed”, zei de muis. Die djalak hupte voor ‘t muisje uit en daar zag hij een heerlijke mangavrucht liggen. Opeens had hij er grote trek in. Hij sperde z’n bek wijd open en meteen viel de speld eruit en gleed ongelukkigwijze in een spleet in de grond. Daar waar de manga lag, was veel vermolmd hout. Klimplanten groeiden door elkaar en bedekten de spleet in de bodem. Het slimme muisje zocht eerst tussen de planten en toen groef het in de aarde en eindelijk vond het ‘t kleinood! Onderwijl sprong en hupte de djalak in ‘t rond en schreeuwde: “Zoek goed, mijn vriend; anders is ‘t jouw schuld, dat onze meester z’n hoofd verliest!”

Na een tijdje kwam de muis gelukkig met de haarspeld te voorschijn. “Maar nu breng ik ‘t ding aan Abdoel,” zei ‘t diertje en rende meteen weg. Toen Doel met de kostbare haarspeld voor den sultan kwam, was deze, evenals zijn dochter, zeer verheugd. Doel mocht als beloning vragen wat hij wilde. “Geef mij zoveel geld mee, o grote sultan, dat mijn moeder geneesmiddelen kan kopen en haar leven lang niet meer behoeft te werken, want ze heeft een zieke voet.” De sultan begon te lachen en zei: “je bent een goede zoon. Abdoel. Ik zal je moeder hierheen laten komen. Zes slaven zullen haar in een draagstoel hierheen dragen. Ze kan bij ons in de kraton komen wonen. Daar ik geen zoon heb, wil ik jou als zoon aannemen.” Doel boog driemaal met z’n voorhoofd tot op de grond en zei: “Zo zal het dan zijn, mijn heer en gebieder, o, grote wijze sultan. Doch één ding wilde ik nog vragen. Stuur de poortwachters weg. Zij hebben mij de haarspeld van de prinses willen afnemen. Zij wilden laten voorkomen, dat zij die gevonden hadden. Maar mijn vriend de djalak pikte hen in ‘t gezicht en mijn trouwe vriend de veldmuis knabbelde aan hun tenen, totdat ze schreeuwend heen en weer sprongen. Hierdoor kon ik ongehinderd de kratonpoort binnengaan.”

De sultan liet nu onmiddellijk de poortwachters wegsturen en Doel’s moeder had verder een onbekommerde oude dag. Abdoel zelf volgde later den sultan op en trouwde met de prinses. En de djalak en de muis? Nu, de djalak maakte een mooi nest in de nootmuskaatboom die stond in de tuinen van de kraton en de kleine dappere veldmuis maakte zich een gezellig holletje ergens in de paardenstallen van den sultan.

Verhaal over de tijger

De TijgerToen Kees Verhey op school vertelde, dat hij naar Indië ging (zijn vader had daar een betrekking gekregen), waren er wel enige jongens jaloers. Die Kees had me ook een manier van vertellen. Toen er een van zijn kameraden vroeg “Kees, is ’t daar erg warm?” antwoordde hij: “warm?, als je daar een ijswafel koopt, moet je ‘m direct helemaal in je mond steken, anders houd je water in je handen! Als ik je nou vertel, dat de kokosnoten openbarsten van de hitte!” “Da’s gek, Kees!” meende er een, “want als je ze hier koopt, zijn ze nog dicht!” Maar Kees ging verder. “Je ziet daar de tijgers nog op straat lopen, en daar wandel je gewoon tussen in!” Dat vonden ze toch een beetje al te bar. Maar Kees liet zich niet uit het veld slaan. Wijdbeens stond hij voor een groep jongens. “Ik zal je wel een paar foto’s sturen uit Indië, als ik er een paar aan ’t lijntje heb. Ik ben niet bang voor die beesten!” Hij was in Indië, de voorgalerij van het huis, waar Kees woonde, lag heet in de zon. De palmen lieten lusteloos de bladeren hangen, de weg lag stil en stoffig.

het verhaal van de tijger Vader was op kantoor, moeder was bezig in huis. Zij had het druk met koffers uitpakken en alles te regelen. Enkele bedienden liepen heen en weer. Grappig, je hoorde ze niet aankomen op d’r blote voeten. Ze stonden ineens voor je, en vroegen je dan iets, waar je niets van verstond. Dat zou over een poosje wel anders zijn. Hij kende al een paar namen. Djako was de “huisjongen”, die kleine werkjes in huis te doen had, en boodschappen deed. Sarina was, wat wij hier een dienstmeisje zouden noemen, en “Kokkie”, wel dat was “Kokkie”, de keukenmeid. Wat die al brouwde in d’r· keuken, daar had je geen begrip van! Maar ’t was lekker, dat was zeker! Ze kon bar lelijk kijken, als je eens in de pannen wilde neuzen! Dan trok ze zulke grimassen, dat je vanzelf wegging! Dan was ’t met Djako een beetje anders! Hij was een jongen van een jaar of veertien, een jaar of drie ouder dan Kees. Kees had hem gisteren voor ‘t eerst ontmoet, eu al dadelijk hadden ze tegen elkaar gelachen. “Sinjo” had Djako tegen hem gezegd, wat zoveel betekent als “jongeheer”, terwijl zijn vader met “toean” werd aangesproken. Ah, daar ging Djako! “Warm he, Djako?” Djako lachte maar eens, hij verstond die rare Hollandse woorden niet, maar Kees had zin om eens te praten. ‘t Was niets voor hem om alleen maar te kijken, ofschoon alles nieuw voor hem was.

“Zeg, Djako, zullen we eens wat gaan spelen?” Hij dacht er niet bij na, dat de huisjongen zijn werk had, en geen tijd had om spelletjes te doen. “Sinjo?” vroeg Djako, die van de hele vraag niets begrepen had. Kees keek peinzend naar hem. Lastig ook, dat hij geen Maleis kende. Maar hij moest er toch iets op vinden. Hij had nu eenmaal zin om iets te doen. Hij wees op een palmboom, waaraan hoog in de kruin een tros kokosnoten hing. “Zu11en we er een paar plukken, Djako?” Djako grijnsde. Een rij hagelwitte tanden kwam te voorschijn tussen de lippen. Hij wees op zijn blote voeten en toen op de schoenen van Kees en babbelde onderwijl een hele hoop. “Al ga ik op mijn kop staan,” zei Kees, “ik versta er geen aap van.” Hij wees weer op de boom. “Zul1en we er in klimmen?” En meteen zat hij al een eindje omhoog, zoals de HolIandse jongens dat doen.

Maar toen had je Djako moeten horen! Hij wist niet wat ie zag, en schaterde van ’t lachen. Verbouwereerd liet Kees zich weer zakken, om dan verwonderd naar Djako te kijken. Die pakte de stam met beide handen vast en liep zo tegen de boom op. “Dat moet je meemaken” zei Kees, “zoiets heb ik nog nooit gezien.” Vlug als een aap klom Djako naar boven, maar Kees ’m achterna. Hij trok zijn schoenen en kousen uit en probeerde de Javaanse jongen na te doen. Hij bracht ’t niet hoger dan tot een halve meter van de grond. Hij keek nog eens naar Djako. Die klemde zijn voeten om de stam, zijn tenen bogen mee en heel zijn soepel lichaam. veerde met de vlugge bewegingen van handen en voeten. In enkele minuten zat hij boven in de top en schreeuwde triomfantelijk naar Kees, die nog steeds verwoede pogingen deed, zijn voorganger te volgen. Toen gaf hij ‘t maar op en lachte hartelijk met Djako mee. Even, een waarschuwing en suizend viel een kokosnoot langs de gladde Stam, vlak voor Kees z’n voeten neer. En nog een, en nog een. “Houd maar op,” riep Kees, “er zijn er genoeg! Maar over een paar dagen doe ik ‘t zelf!” Hij wachtte tot Djako beneden was. Samen liepen ze terug naar huis, en net wilde Kees naar binnen stappen om de kokosnoten aan moeder te laten zien of …. met een harde gil liep hij weer het erf op, terwijl zijn ogen groot werden van angst. Hij voelde met zijn handen aan zijn schouders. Terwijl hij zo kalm naast Djako voort liep, had hij plotseling iets zwaars gevoeld. Iets dat op zijn rug sprong, en langs z’n nek kriebelde.

En nu voelde hij met zijn handen twee harige poten en een warme adem streek langs zijn hals en hoofd. Hij begon te rennen, terwijl hij probeerde het onbekende, dat zich aan hem vastgeklampt had, af te werpen. Maar het dier, of wat het dan ook was, klampte zich voortdurend vaster aan zijn kleren. Hij voelde scherpe nagels, die langs zijn vel gleden. Het angstzweet brak hem uit. “Een tijger,” riep hij, “een tijger! Moeder! Moeder! Djako! Help me! Hij wil me opeten!” Hij liep terug naar Djako. In doodsangst. Het zweet droop van zijn gezicht, terwijl hij alle mogelijke moeite deed, het dier van zich af te schudden. En Djako? Djako lachte. In zijn angst hoorde Kees het nog duidelijk. “Help me, Djako! Maak hem dood!” Toen vond Djako het genoeg. Hij liep snel naar Kees toe en nam het dier van zijn schouders. Kees klappertandde, maar kon toch niet nalaten, even te kijken naar “de tijger”. En wat zag hij? Een klein aapje, zoals er zoveel in Indië zijn, en die als huisdier gehouden worden. Een onschuldig diertje, dat op zijn manier kennis wilde maken met “sinjo” Kees! Diezelfde avond hoorde hij, dat het diertje van de administrateur was. Het liep altijd vrij over de weg en was goede vrienden met iedereen. Maar Kees moest die avond toch nog even denken aan zijn vriendjes in Holland, wie hij een foto zou sturen van de tijgers, als ie ze aan de lijn had!

Het verhaal van de uitvinder

De UitvinderGeertruida! Geertruida! “Ja, hier ben ik al”, hijgde Geertruida, terwijl zij haar natte handen aan een punt van haar schort afdroogde. “Vrouw, ik heb het gevonden! Ik ben de uitvinder van de radiotoekomsttelevisie.” “Nou moet je niet vloeken, Bertus, Zeg me liever, wat er met die uitvinding is.” “Dat is juist de uitvinding, mens, je kan je toekomst op het doek zien. Ga hier maar eens zitten.” “Eventjes dan, want mijn boontjes staan op het vuur.” “Zie je dit toeste1?” “Toeste1? ‘t Is een gewoon kissie met een handdoek er voor,” zo betitelde vrouw Pimme de uitvinding, van haar man.

“Hier, zet nu de koptelefoon op, dan zal ik je in het kort de werking van mijn radiotoekomsttelevisie vertellen, de electrische draden, die van de zetel van het verstand naar het toestel lopen geven op het witte doek een beeld van een bepaald moment in de toekomst.” “A1s ik het wel heb, dus een soort van waarzegster” “Niet· zulke minderwaardige vergelijkingen, alsjeblieft! Om je een voorbeeld te geven: je zou graag willen weten, hoe het bezoek, dat je Zondag bij nicht Philomeen wilt maken, zal aflopen.” “]a, ik zou wel eens willen weten, of ze het nog eens waagt, haar neus in mijn zaken te steken.” “Nou, ga zitten en denk aan nicht Philomeen, terwijl je naar het witte doek kijkt” Op het scherm kwamen twee vrouwen, die elkander in het haar vlogen en met haarspelden bewerkten. “En wat zeg je ervan, is het geen .wonder?” vroeg Bertus. “Een wonder? ’t is een heks, zeg ik je, om mij zo te willen toetakelen, ik zal er wel voor oppassen, om naar haar toe te gaan.” “Mooi zo, maar wat zeg je van mijn uitvinding?” “Reusachtig, dat zeg ik, zo’n ding is in staat, om ‘n mens van veel terug te houden.” “O, zo, en daarom wil ik mijn uitvinding ten dienste stellen van de ongelukkige maatschappij; ik wil er mee naar de stad gaan en de mensen laten zien, waar ze al niet toe kunnen komen, als ze aan hun slechte voornemens toegeven.” “Als je er maar geen narigheid mee krijgt, man!” “Wat narigheid!” stoof Bertus op, maar Geertruida hoorde hem al niet meer, want de lucht van aangebrande boontjes had haar naar de keuken teruggeroepen.

het verhaal van de uitvinder De volgende morgen nam de uitvinder van de radiotoekomsttelevisie, met in de éne hand zijn toestel en in de andere een valiesje, de trein naar de stad. De hele dag liep hij rond, om iemand te vinden, dien hij geschikt vond, om er zijn uitvinding op toe te passen. De meesten hadden te veel haast en die geen haast hadden, waren te gemoedelijk, om zich met ernstige vraagstukken bezig te houden. Hij moest mensen hebben, die met plannen rondliepen, die ergens mee in de knoop zaten, die het met zichzelf niet eens waren. In de havenwijk bijvoorbeeld, waar bandieten en schurken huisden. Tegen het vallen van de avond ging Bertus dus de havenwijk in en kreeg al gauw ‘n paar tamelijk ongure typen in het oog. Ze stonden in de schaduw van een laag muurtje met elkaar te fluisteren. Om te horen, wat zij zoal zeiden, deed Bertus, of zijn schoen was losgeraakt en terwijl hij zich bukte, ving hij de volgende woorden op. “Vannacht, een moeilijk zaakje, miljoentjes te halen, de handelsbank, twaalf uur de beste tijd.

Dat was nu juist een stelletje geknipt voor de uitvinding. Bertus richtte zich op en zei beleefd: “Goeie avond, heren, mag ik zo vrij zijn u mijn uitvinding te tonen?” “Wat uitvinding?” “De radiotoekomsttelevisie, die u zal tonen, of uw plannen zullen slagen, ja of neen. En alles gratis.” “Nou, kom dan maar op met je uitvinding, maar ik waarschuw je, ons niet voor de gek te houdenl.” “Geen sprake van, heren. Hier, zet u de koptelefoon maar open kijkt u aandachtig naar het witte doek.” Nauwelijks had een der mannen aan dit verzoek voldaan, of hij riep uit: “Wel, heb je ooit van je leven! Daar zie ik mezelf tussen twee agenten weggeleid worden!” “En ik dan,” riep de ander even later, “ze sleuren mij regelrecht de gevangenis in. Nou, professor, we zullen voor vannacht maar van ons plan afzien, want de politie schijnt lont te ruiken. Kom morgenavond maar weer hier, bij de kromme lantaarn, dan zullen we eens kijken of we een betere kans hebben.” Bertus straalde van vreugde, dat zijn radiotoekomsttelevisietoestel zo goed werkte.

Hij zocht een hotel op om te overnachten en sliep rustig tot in de late morgen, toen de ochtend bladen en de radio omroepers al verteld hadden, dat er die nacht bij de Handelsbank was ingebroken en de dieven er met de buit vandoor waren gegaan. Bertus Pimme bracht die dag door op een bank in het stadspark, terwijl hij zich overgaf aan allerlei luchtkastelen in verband met zijn uitvinding. Licht als een veertje begaf hij zich ‘s avonds, volgens de afspraak, naar de kromme lantaarnpaal. De twee mannen stonden er al. “Zo,” zeiden ze, “daar heb je den profeet, die brood eet.” “Wat zegt u?” “Wat, begrijp je dat niet? Hou nou maar op met je huichelpraatjes. Net of jij niet onder één hoedje gespeeld, hebt met onze tegenstanders, die de bank bestolen hebben en er van door zijn. Heb jij ons soms die poets niet gebakken met je radiotoekomsttelevisie? Maar nou zullen wij jou de huid eens wassen, mannetje.” Toen Bertus Pimme een week later uit het ziekenhuis ontslagen werd en weer naar huis ging, kon hij maar niet aan zijn vrouw vertellen, hoe alles gegaan was. Hij wist alleen, dat ’n paar agenten hem ‘s avonds bewusteloos, met een blauw oog en een bloedneus bij een kromme lantaarn hadden gevonden. Het radiotoekomsttelevisietoestel borg hij in de kast, want “de mensen kunnen er nog niet bij”, zei hij.

Poengoet en de Kokosnoot

VertellingenoostDaar was eens een kleine jongen, die geen ouders meer had. Een boze buurvrouw, stopte hem in een meloen en gooide die in zee. Misschien pikken vissers hem wel op, dan heb ik geen last meer van ‘t kind, dacht ze! De haaien hadden gelukkig geen belangstelling voor de meloen en lieten die met rust. De vissers zeiden: “Daar drijft een meloen. ‘t Zeewater zal de vrucht oneetbaar hebben gemaakt,” en ze lieten eveneens de meloen met rust. Met de golfstroom dreef de vrucht, waarin de kleine jongen lag te slapen, een heel eind weg. Na drie dagen en nachten spoelde de meloen aan op een klein eiland. Het jongetje, dat al die dagen slechts van ’t vruchtvlees van de meloen gegeten had, kroop te voorschijn. Hij ging in ‘t warme zand zitten en begon met schelpjes te spelen. Na een tijdje begon hij te huilen, want hij kreeg dorst. De meloen was leeggegeten.

het verhaal van Poengoet en de Kokosnoot Een oud vrouwtje, dat langs ’t strand naar krabben en zee-egels zocht, vond ’t kind en nam ’t mee. Ze bracht ’t schreiende jongetje in haar hut en gaf ’t maismeelpap en bananenmoes te eten. Het vrouwtje, Má Isa genaamd, was erg blij dat ze nu een jongetje had, waar ze voor zorgen kon. Ze noemde ’t jongetje Poengoet, wat “vondeling” betekent. Poengoet groeide voorspoedig op. Hij at maiskoeken en bananenmoes en soms ‘n gedroogd stukje vis. Al gauw kon hij ’t vrouwtje helpen en toen hij groter en sterker werd, wiedde hij voor haar het lapje grond, waar ze mais en groente kweekte. De eilandbewoners waren zeer arm. De bodem van ‘t eiland was rotsachtig en hard. “We kunnen geen handél drijven met de andere eilandbewoners, want hoe weinig wil er hier groeien,” zeiden de mensen. “We hebben zelf nauwelijks te eten en nu heeft Má Isa er nog ’n kind bij aangenomen!” “’t Kind werd mij door den groten zeegeest zelf toegezonden,” zei Má Isa. “Het zal ons eerder geluk dan nadeel brengen! Wacht maar tot het groter is.

Op een dag liep Poengoet langs ’t strand. Daar zag hij een reusachtig grote, geelgroene vrucht in de golven drijven. “Is dat ‘t hoofd van iemand die aan ’t baden is,” dacht hij, “of is ’t een schildpad?” Nieuwsgierig liep Poengoet ’t water in en bij ’t steeltje haalde hij de vrucht uit de golven. “Ai, ‘t is geen mensenhoofd en ’t is geen schi1dpad,” riep hij uit. Hij rende ’t strand op en ging onder ’n plonka boom zitten, die tot vlak aan zee groeide. Hier bekeek hij de vreemde vrucht van alle kanten. Een kleine groene papegaai, die in de plonka boom zat, riep naar beneden. “Poengoet, schil de vrucht, en drink de melk eruit!” Poengoet greep z’n kapmes en wilde de vrucht schillen maar toen bedacht hij zich. “Als dit een vrucht is, dan kan ik het zaad er uit planten,” zei hij bij zichzelf. “Ontspruit het zaad, dan heb ik later niet één, maar vele van deze vreemde vruchten”. Hij groef een gat in de grond en stopte z’n vondst daarin.

Niet lang daarna verscheen er al een jonge loot en na korte tijd reeds groeide er uit de vrucht een hoge slanke palmboom. De eilandbewoners kwamen kijken. Ze zeiden: “Wat een eigenaardige boom, zo zonder takken, met alleen maar een bladerenkroon!” Er kwamen vruchten aan de palmboom. Poengoet klom naar boven langs de gladde stam en plukte enkele klappers (kokosnoten). “P1uk de klapper, splijt die en drink de melk eruit!” riep de kleine groene papegaai weer. Poengoet deed ’t. De kokosmelk smaakte heerlijk en ’t vruchtvlees was sappig en zoet! Al gauw was ’t hele eiland langs de kust begroeid met klapperbomen. Van de bladvezels maakte men bezems en van ’t blad zelf dakbedekking voor de huizen. Men perste olie uit de noot en van de harde notenbast maakte men allerhande gebruiksvoorwerpen.

Toen laadde Poeugoet een uitgeholde boomstam met kokosnoten, olie en gedroogde stukjes kokos. Hij pagaaide naar de omliggende eilanden. Ja, tot zelfs naar ‘t vasteland ging hij. Poengoet ruilde zijn waar in tegen verschillende dingen, die bij dacht, dat men op ’t eiland nodig zou kunnen hebben. Voor de ‘oude Má Isa nam hij een serie gouden muntjes mee, die ze als broche op haar baadje zou kunnen dragen. Van nu af aan ontstond er een drukke handel tussen de verschillende eilanden en ‘t vasteland. “Heb ik geen gelijk gehad?” riep Má Isa uit. “Het geschenk van den groten zeegeest heeft ons geluk aangebracht!” Uit dankbaarheid werpen de eiland bewoners ieder jaar tien van de mooiste klappers in zee, als geschenk aan de geest van de zee. Op ‘t eiland heerst geen armoede meer. (A.L.C.)

Meer pagina’s met mooie verhalen

Short inspiring moral stories

I really like short inspiring stories, most of these stories teach us an important fact of life. On this page is a collection of some inspiring stories and poems that I have collected over the years. Most of the stories are public domain, they are very old and the origin is sometimes not clear. Some of the stories are originally English and some of these stories I have translated from Dutch to English. Read these short stories and let them amuse you, lighten up your day or give you something to think about. Regards, Hein Pragt

A story about trust.

(By: Unknown, translation: Hein Pragt)

A baker and a farmer had an agreement, the baker got butter from the farmer and the farmer got bread from the baker. After a while the baker noticed that the pieces of butter from the farmer, that should weigh three pounds, became lighter and his scales agreed with him. He got angry and went to court to complained about his butter supplier. “The baker claims your pieces of butter do not have the required weight” the judge said to the farmer, “this piece of butter should weigh three pounds, but it weighs much less.”

“That’s impossible, Mr. Judge” the the farmer said, “I check the weight every time.” The judge than said: “Maybe your weights are incorrect!”. The farmer replied in dumb amazement: “My weights? I do not have any weights, I never use weights.” The judge replied: “So if you do not have weights, how do you check the weight of the butter?”. The farmer said: “Quite simply, I get my bread from the baker and he gets butter from me. A loaf of bread weighs three pounds so put my butter on the left scale and a bread on the right side!”

Trying

(By: Unknown, translation: Hein Pragt)

A guru advised his students to meditate three times a day. Most of his students watched him with some burdened ands most of their comments were almost identical: “I will try.” The guru nodded wisely and while he walked back to his seat, he dropped the book he had under his arm and it fell to the floor. He turned around, bent over, reached for the book, but could not get it. Time after time he grabbed but could not get the book. His students looked at him in amazement. “You try to pick it up,” he said to one of the students. The student walked to the book, bent over, picked up the book and handed it to his guru. The guru hit the book out of his hands, back to the ground and said: “I did not ask you to pick the book up, I only asked you to try.”.

God’s lesson

(By: Unknown, translation: Hein Pragt)

One day a man had a conversation with God and said: “Dear God, I would like to know what heaven and hell are like?” God led the man to two doors, he opened the first one and let the man look inside. In the room there was a large round table and in the middle of the table was a large pot of stew that smelled delicious. However, the people around the table were thin and sickly, and they seemed to be very hungry. Then te man noticed they had very long spoons tied to there hands, it was possible for everyone to reach out and get the food from the pan, but because the spoons were longer than their arms, they could not bring the spoons to their mouths. The man shuddered at the sight of their misery and suffering. God said, “Now you have seen hell.” and they went to the next room. God opened the door and the room was exactly the same as the first one, there was also a large round table in the middle of the room containing a large pot of stew. The people had exactly the same long spoons attached to their arms, but these people were well nourished and healthy. They had fun and were laughing and talking with each other. The man said, “I do not get it, I do not get it!” God said: “It’s pretty simple, you only need to know one thing. You see, they have learned to feed each other, while the greedy people ony think of themselves.”

The Fairy and the three wishes

(By: Unknown, translation: Hein Pragt)

A fairy tells a woman that gets three wishes and every day one wish will come true. “But remember” the fairy says “your husband will get the same in tenfold!” The woman replies: “No problem, so my husband gets all I get in tenfold, then I wish that I’m madly in love with my husband.” The next day the fairy returns for the next wish, but the curtains are closed and the fairy must wait a long time for the door to open afer she knocks. Finally, the woman appears in the doorway, a sheet hastily folded around her, her hair lose, her yes shining and cheeks blushing. “What’s your second wish?” the fairy says, but the woman ony says “Oh it’s you, fairy, thank you so much, it’s fantastic! I do not have any other wishes” and she wanted to go back inside the house. The fairy protests and says: “What am I supposed to do with the other wishes?” and the woman replies: “give them to other women,” as she quickly went back inside the house.

Nothing is more important

(By: Unknown)

I sat next to the bed of old man, a friend for over twenty years, and held his hand. Hal was dying, we both knew these next few days would be his last. We spent time reminiscing about his long and fruitful career as a church pastor and we talked about old friends. We chatted about his family. And I listened as he offered sage wisdom and advice to a member of a “younger generation.” At a lull in the conversation, Hal seemed to carefully consider what he was about to say next. Then he squeezed my hand, gazed intently into my eyes and whispered, just loud enough for me to hear, “Nothing is more important than relationships.” I knew that this was somehow near the pinnacle of his life’s learnings. As he considered all of his experiences, personal, professional, spiritual and family, this one ultimate observation surfaced above the rest: “Nothing is more important than relationships.”

“Don’t get overly caught up in your career,” he seemed to be saying to me. “Likewise, don’t use people in order to achieve your goals, then throw them away. No project, no program, no task should be pursued at the expense of friends and family. Remember,” I heard him saying, as clearly as if he were speaking the words, “that in the end, only your relationships will truly matter. Tend them well.” Writer Og Mandino puts it this way: “Beginning today,” he said, “treat everyone you meet as if he or she were going to be dead by midnight. Extend to them all the care, kindness, and understanding you can muster, and do so with no thought of any reward. Your life will never be the same again.” At the end of a long life, my friend Hal would have agreed.

They ran trough the rain believing

(By: Bob Perks)

She had been shopping with her Mom in Wal-Mart. She must have been 6 years old, this beautiful brown haired, freckle-faced image of innocence. It was pouring outside. The kind of rain that gushes over the tops of rain gutters, so much in a hurry to hit the earth, it had no time to flow down the spout. Drains in the nearby parking lot were filled to capacity and some were blocked so that huge puddles laced around parked cars. We all stood there under the awning and just inside the door of the Wal-Mart. We waited, some patiently, others irritated… because nature messed up their hurried day. I am always mesmerized by rainfall. I get lost in the sound and sight of the heavens washing away the dirt and dust of the world. Memories of running, splashing so carefree as a child come pouring in as a welcome reprieve from the worries of my day. Oh to be young again………..

Her voice was so sweet as it broke the hypnotic trance we were all caught in. “Mom, let’s run through the rain,” she said. “What?” Mom asked. “Let’s run through the rain!” she repeated. “No, honey. We’ll wait until it slows down a bit.” Mom replied. This young child waited about another minute and repeated “Mom, Let’s run through the rain.” “We’ll get soaked if we do,” Mom said. “No, we won’t, Mom, remember what you said this morning,” the young girl said as she tugged at her mom’s arm. “This morning, when did I say we could run through the rain and not get wet?”. “Don’t you remember? When you were talking to Daddy about his cancer, you said, “If God can get us through this, He can get us through anything!”

The entire crowd stopped dead silent. I swear you couldn’t hear anything but the rain. We all stood silently. No one came or left in the next few minutes. Her Mom paused and thought for a moment about what she would say. Now some would laugh it off and scold her for being silly. Some might even ignore what was said. But this was a moment of affirmation in a young child’s life. A time when innocent trust can be nurtured so that it will bloom into faith. “Honey, you are absolutely right, let’s run through the rain. If God let’s us get wet, well maybe we just needed washing.” Then off they ran.

We all stood watching, smiling and laughing as they darted past the cars and puddles. They held their shopping bags over their heads just in case, they got soaked. They were followed by a few who screamed and laughed like children all the way to their cars. I want to believe that some where down the road in life, this Mom will find herself reflecting back on moments they spent together, captured like pictures in the scrapbook of her cherished memories. Maybe when she watches proudly as her daughter graduates or as her Daddy walks her down the aisle on her wedding day. She will laugh again. Her heart will beat a little faster. Her smile will tell the world they love each other. But only they… will share that precious moment, when they ran through the rain believing that God would get them through. Yes, I ran. I got wet. I too needed washing. Circumstances or people can take away your material possessions, they can take away your money, and they may even take away your health. But no one can ever take away your precious memories. So, don’t forget to make time and take the opportunities to make memories every day!

Giving up too soon

(By: Unknown)

A man meets a guru in the road and the man asks the guru, “Which way is success?” The berobed, bearded sage speaks not, but points to a place off in the distance. The man, thrilled by the prospect of quick and easy success, rushes off in the appropriate direction. Suddenly, there comes a loud “SPLAT.” Eventually, the man limps back, tattered and stunned, assuming he must have misinterpreted the message. He repeats his question to the guru, who again points silently in the same direction. The man obediently walks off once more. This time the splat is deafening, and when the man crawls back, he is bloody, broken, tattered, and irate. “I asked you which way is success,” he screams at the guru. “I followed the direction you indicated. And all I got was splatted! No more of this pointing! Talk!”. Only then does the guru speak, and what he says is this: “Success IS that way. Just a little PAST splat.”

What would you do?

(By: Unknown)

God has a way of allowing us to be in the right place at the right time. I was walking down a dimly lit street late one evening when I heard muffled screams coming from behind a clump of bushes. Alarmed, I slowed down to listen, and panicked when I realized that what I was hearing were the unmistakable sounds of a struggle: heavy grunting, frantic scuffling, and tearing of fabric. Only yards from where I stood, a woman was being attacked. Should I get involved? I was frightened for my own safety, and cursed myself for having suddenly decided to take a new route home that night. What if I became another statistic? Shouldn’t I just run to the nearest phone and call the police? Although it seemed an eternity, the deliberations in my head had taken only seconds, but already the girl’s cries were growing weaker. I knew I had to act fast. How could I walk away from this? No, I finally resolved, I could not turn my back on the fate of this unknown woman, even if it meant risking my own life.

I am not a brave man, nor am I athletic. I don’t know where I found the moral courage and physical strength, but once I had finally resolved to help the girl, I became strangely transformed. I ran behind the bushes and pulled the assailant off the woman. Grappling, we fell to the ground, where we wrestled for a few minutes until the attacker jumped up and escaped. Panting hard, I scrambled upright and approached the girl, who was crouched behind a tree, sobbing. In the darkness, I could barely see her outline, but I could certainly sense her trembling shock. Not wanting to frighten her further, I at first spoke to her from a distance. “It’s OK,” I said soothingly. “The man ran away. You’re safe now.” There was a long pause and then I heard the words, uttered in wonder, in amazement. “Dad, is that you?” And then, from behind the tree, stepped my youngest daughter, Katherine.

The most important body part

(By: Unknown)

My mother used to ask me what is the most important part of the body? Through the years I would take a guess at what I thought was the correct answer. When I was younger, I thought sound was very important to us as humans, so I said, “My ears, Mommy.”. She said, “No. Many people are deaf. But you keep thinking about it and I will ask you again soon.” Several years passed before she asked me again. Since making my first attempt, I had contemplated the correct answer. So this time I told her, “Mommy, sight is very important to everybody, so it must be our eyes.” She looked at me and told me, “You are learning fast, but the answer is not correct because there are many people who are blind.” Stumped again, I continued my quest for knowledge and over the years, Mother asked me a couple more times and always her answer was, “No. But you are getting smarter every year, my child.” Then last year, my grandpa died. Everybody was hurt. Everybody was crying. Even my father cried. I remember that especially because it was only the second time I saw him cry. My Mom looked at me when it was our turn to say our final good-bye to Grandpa.

She asked me, “Do you know the most important body part yet, my dear?” I was shocked when she asked me this now. I always thought this was a game between her and me. She saw the confusion on my face and told me, “This question is very important. It shows that you have really lived in your life. For every body part you gave me in the past, I have told you were wrong and I have given you an example why. But today is the day you need to learn this important lesson.” She looked down at me as only a mother can. I saw her eyes well up with tears. She said, “My dear, the most important body part is your shoulder.” I asked, “Is it because it holds up my head?” She replied, “No, it is because it can hold the head of a friend or a loved one when they cry. Everybody needs a shoulder to cry on sometime in life. I only hope that you have enough love and friends that you will always have a shoulder to cry on when you need it.” Then and there I knew the most important body part is not a selfish one. It is sympathetic to the pain of others.

Who packed your parachute?

(By: Unknown)

Sometimes in the daily challenges that life gives us, we miss what is really important. We may fail to say hello, please, thank you, congratulate someone on something wonderful that has happened to them, give a compliment, or just do something nice for no reason. Charles Plumb, a US Naval Academy graduate, was a jet pilot in Vietnam. After 75 combat missions, his plane was destroyed by a surface-to-air missile. Plumb ejected and parachuted into enemy hands. He was captured and spent 6 years in a communist prison. He survived the ordeal and now lectures on lessons learned from that experience. One day, when Plumb and his wife were sitting in a restaurant, a man at another table came up and said, “You’re Plumb! You flew jet fighters in Vietnam from the aircraft carrier Kitty Hawk. You were shot down!” “How in the world did you know that?” asked Plumb. “I packed your parachute,” the man replied. Plumb gasped in surprise and gratitude. The man grabbed his hand and said, “I guess it worked!” Plumb assured him, “It sure did. If your chute hadn’t worked, I wouldn’t be here today.”

Plumb couldn’t sleep that night, thinking about that man. Plumb kept wondering what the man might have looked like in a Navy uniform. He wondered how many times he might have seen him and not even said good morning, how are you or anything, because you see, he was a fighter pilot and the man was just a sailor. Plumb thought of the many hours that sailor had spent in the bowels of the ship, carefully weaving the shrouds and folding the silks of each chute, holding in his hands each time the fate of someone he did not know. Now Plumb asks his audience, “Who is packing your parachute?” Everyone has someone who provides what they need to make it through the day. Plumb also points out that he needed many kinds of parachutes when his plane was shot down. As you go through your week, month, and even New Year, recognize the people who have packed your parachute and enabled you to get where you are today!

A Story to Live By

(By Ann Wells, Los Angeles Times)

My brother-in-law opened the bottom drawer of my sister’s bureau and lifted out a tissue-wrapped package. ‘This,’ he said, ‘is not a slip. This is lingerie.’ He discarded the tissue and handed the slip. It was exquisite; silk, handmade and trimmed with a cobweb of lace. The price tag with an astronomical figure on itwas still attached. ‘Jan bought this the first time we went to New York, at least 8 or 9 years ago. She never wore it. She was saving it for a special occasion. Well, I guess this is the occasion.’

He took the slip from me and put it on the bed with the other clothes we weretaking to the mortician. He hands lingered on the silk material for a moment,then he slammed the drawer shut and turned to me ‘Don’t ever save anything for aspecial occasion. Every day you’re alive is a special occasion.’ I remembered those words through the funeral and the days that followed when I helped him and my niece attend to all the sad chores that follow an unexpected death. I thought about them on the plane returning to California from the Midwest where my sister’s family lives. I though about all the things that she hadn’t seen or heard or done. I though about the things that she had done without realizing that they were special. I’m still thinking about his words, and they’ve changed my life. I’m reading more and dusting less. I’m sitting on the deck and admiring the view withoutfussing about the weeds in the garden. I’m spending more time with my family and friends and less time in committee meetings. Whenever possible, life should be a pattern of experience to savor, not endure. I’m trying to recognize these moments now and cherish them. I’m not “saving” anything; we use our good china and crystal for every special event – such as losing a pound, getting the sink unstopped, the first camellia blossom. I wear my good blazer to the market if I like it. My theory is if I look prosperous, I can shell out $28.49 for one small bag of groceries without wincing. I’m not saving my good perfume for special parties; clerks in hardware stores and tellers in banks have noses that function as well as my party-going friends.”Someday” and “one of these days” are losing their grip on my vocabulary.
If it’s worth seeing or hearing or doing, I want to see and hear and do it
now. I’m not sure what my sister would’ve done had she known that she wouldn’t be
here for the tomorrow we all take for granted. I think she would have
called family members and a few close friends. She might have called a few former
friends to apologize and mend fences for past squabbles. I like to think
she would have gone out for a Chinese dinner, her favorite food. I’m
guessing I’ll never know. It’s those little things left undone that would make me
angry if I knew that my hours were limited. Angry because I put off seeing good
friends whom I was going to get in touch with – someday. Angry because I
hadn’t written certain letters that I intended to write – one of these
days. Angry and sorry that I didn’t tell my husband and daughter often
enoughhow much I truly love them. I’m trying very hard not to put off, hold back,
or save anything that would add laughter and luster to our lives. And every morning when
I open my eyes, I tell myself that it is special. Every day, every minute, every
breath truly is a gift from God.

Throw the Bums Out!

By Loa Stewart Bridgeport, California, USA

It’s a small gas station that has snacks, things to drink, cigarettes, and candy. The young man behind the counter wears boots, and a baggy t-shirt under his vest. He’s quick with a joke, knows his customers by name and what they normally want to buy. He treats children and adults with equal respect, but once decked a guy for slugging his wife right there in the store. He’s the kind of guy who will take a day off without pay in order to appear as a witness to a traffic accident. He reads science fiction or mysteries behind the counter when business is slow. And he’s my son.

One day, less than a week after the place had been broken into overnight, the store was suddenly invaded by three people grabbing food off the shelves as fast as they could, obviously not intending to pay for it. He hit the “panic button” and then went over the counter and locked the front door. It was obvious they were homeless, and equally obvious that they weren’t going anywhere with their ill-gotten gains. They dropped the loot and simply huddled together, knowing the police were on the way. Imagine what they must have felt like when, instead of being cussed out or told they were headed for jail, they were told they didn’t have to steal if they were that hungry. “We have food in the back, expired but still safe to eat, that we plan on giving to a homeless shelter. If you need food, you can have some.”

They were told to pick up what they had dropped and put it back, then asked to straighten out the mess they’d made of the store. They were doing just that when the police arrived. The officers were told the situation was under control and the police were no longer necessary. This wasn’t what they had expected. They were being treated as human beings who had screwed up but could right the wrong they’d done. Shocked, because they knew that the homeless were never welcome to use “public restrooms” in private businesses, they quickly followed orders to take turns and use the restroom to clean up.

Soon three cleaner people, standing just a bit taller than before when they came in, walked out with all the food their arms could hold. They were reminded that, if they needed to come back again, they were to ask and not just grab. And then the young man went back to reading until the next customer came in. He would be the last person in the world to claim he was a hero. But that day, when it would have been so much easier just to hand three “bums” over to the cops and be done with it, he gave three people something they were in desperate need of, a small amount of selfrespect and a little bit of hope.

Wait For The Brick

(By: unknown)

A young and successful executive was traveling down a neighborhood street, going a bit too fast in his new Jaguar. He was
watching for kids darting out from between parked cars and slowed down when he thought he saw something. As his car passed,
no children appeared. Instead, a brick smashed into the Jag’s side door! He slammed on the brakes and drove the Jag back to
the spot where the brick had been thrown. The angry driver then jumped out of the car, grabbed the nearest kid and pushed him
up against a parked car, shouting, “What was that all about and who are you? Just what the heck are you doing? That’s a new
car and that brick you threw is going to cost a lot of money. Why did you do it?” The young boy was apologetic. “Please mister…
please, I’m sorry… I didn’t know what else to do,” he pleaded. “I threw the brick because no one else would stop…” With tears
dripping down his face and off his chin, the youth pointed to a spot just around a parked car. “It’s my brother,” he said.
“He rolled off the curb and fell out of his wheelchair and I can’t lift him up.”

Now sobbing, the boy asked the stunned executive, “Would you please help me get him back into his wheelchair? He’s hurt and he’s too heavy for me.” Moved beyond words, the driver tried to swallow the rapidly swelling lump in his throat. He hurriedly lifted the handicapped boy back into the wheelchair, then took out his fancy handkerchief and dabbed at the fresh scrapes and cuts. A quick look told him everything was going to be okay. “Thank you and may God bless you,” the grateful child told the stranger. Too shook up for words, the man simply watched the little boy push his wheelchair-bound brother down the sidewalk toward their home. It was a long, slow walk back to the Jaguar. The damage was very noticeable, but the driver never bothered to repair the dented side door. He kept the dent there to remind him of this message: Don’t go through life so fast that someone has to throw a brick at you to get your attention! God whispers in our souls and speaks to our hearts. Sometimes when we don’t have time to listen, He has to throw a brick at us. It’s our choice, listen to the whisper… or wait for the brick!

Sand and Stone

(By: unknown)

A story tells that two friends were walking through the desert. During some point of the journey they had an argument, and one friend slapped the other one in the face. The one who got slapped was hurt, but without saying anything, wrote in the sand: “TODAY MY BEST FRIEND SLAPPED ME IN THE FACE.” They kept on walking until they found an oasis, where they decided to take a bath. The one, who had been slapped, got stuck in the mire and started drowning, but the friend saved him. After the friend recovered from the near drowning, he wrote on a stone: “TODAY MY BEST FRIEND SAVED MY LIFE.”

The friend who had slapped and saved his best friend asked him, “After I hurt you, you wrote in the sand and now, you write on a stone, why?” The other friend replied: “When someone hurts us, we should write it down in sand where winds of forgiveness can erase it away. But, when someone does something good for us, we must engrave it in stone where no wind can ever erase it.” Learn to write your hurts in the sand, nd to carve your benifits in stone!

Generority

(By: unknown)

Mahatma Gandhi went from city to city, village to village collecting funds for the Charkha Sangh. During one of his tours he addressed a meeting in Orissa. After his speech a poor old woman got up. She was bent with age, her hair was grey and her clothes were in tatters. The volunteers tried to stop her, but she fought her way to the place where Gandhiji was sitting. “I must see him,” she insisted and going up to Gandhiji touched his feet. Then from the folds of her sari she brought out a copper coin and placed it at his feet. Gandhiji picked up the copper coin and put it away carefully. The Charkha Sangh funds were under the charge of Jamnalal Bajaj. He asked Gandhiji for the coin but Gandhiji refused. “I keep cheques worth thousands of rupees for the Charkha Sangh,” Jamnalal Bajaj said laughingly “yet you won’t trust me with a copper coin.” “This copper coin is worth much more than those thousands,” Gandhiji said. “If a man has several lakhs and he gives away a thousand or two, it doesn’t mean much. But this coin was perhaps all that the poor woman possessed. She gave me all she had. That was very generous of her. What a great sacrifice she made. That is why I value this copper coin more than a crore of rupees.”

The Making Of A Mother

(By: unknown)

By the time the Lord made mothers, He was into the sixth day working overtime. An Angel appeared and said “Why are you spending so much time on this one?” And the Lord answered and said, “Have you read the spec sheet on her? She has to be completely washable, but not elastic; have 200 movable parts, all replaceable; run on black coffee and leftovers; have a lap that can hold three children at one time and that disappears when she stands up; have a kiss that can cure anything from a scraped knee to a broken heart; and have six pairs of hands.” The Angel was astounded at the requirements for this one. “Six pairs of hands! No way!” said the Angel. The Lord replied, “Oh, it’s not the hands that are the problem. It’s the three pairs of eyes that mothers must have!” “And that’s on the standard model?” the Angel asked.

The Lord nodded in agreement, “Yep, one pair of eyes are to see through the closed door as she asks her children what they are doing even though she already knows. Another pair in the back of her head are to see what she needs to know even though no one thinks she can. And the third pair are here in the front of her head. They are for looking at an errant child and saying that she understands and loves him or her without even saying a single word.” The Angel tried to stop the Lord “This is too much work for one day. Wait until tomorrow to finish.” “But I can’t!” The Lord protested, “I am so close to finishing this creation that is so close to my own heart. She already heals herself when she is sick AND can feed a family of six on a pound of hamburger and can get a nine year old to stand in the shower.” The Angel moved closer and touched the woman, “But you have made her so soft, Lord.” “She is soft,” the Lord agreed, “but I have also made her tough. You have no idea what she can endure or accomplish.”

“Will she be able to think?” asked the Angel. The Lord replied, “Not only will she be able to think, she will be able to reason, and negotiate.” The Angel then noticed something and reached out and touched the woman’s cheek. “Oops, it looks like You have a leak with this model. I told You that You were trying to put too much into this one.” That’s not a leak.” the Lord objected. “That’s a tear!” “What’s the tear for?” the Angel asked. The Lord said, “The tear is her way of expressing her joy, her sorrow, her disappointment, her pain, her loneliness, her grief, and her pride.” The Angel was impressed. “You are a genius, Lord. You thought of everything for this one. You even created the tear!” The Lord looked at the Angel and smiled and said, “I’m afraid you are wrong again. I created the woman, but she created the tear!”

The obstacle on your path

(By: unknown)

In ancient times, a king had a boulder placed on a roadway. Then he hid himself and watched to see if anyone would remove the huge rock. Some of the king’s wealthiest merchants and courtiers came by and simply walked around it. Many loudly blamed the king for not keeping the roads clear, but none did anything about getting the big stone out of the way. Then a peasant came along carrying a load of vegetables. On approaching the boulder, the peasant laid down his burden and tried to move the stone to the side of the road. After much pushing and straining, he finally succeeded. As the peasant picked up his load of vegetables, he noticed a purse lying in the road where the boulder had been. The purse contained many gold coins and a note from the king indicating that the gold was for the person who removed the boulder from the roadway. The peasant learned what many others never understand. Every obstacle presents an opportunity to improve one’s condition.

The car that did not like vanilla ice cream.

(By: Unknown)

For the engineers among us who understand that the obvious is not always the solution, and that the facts, no matter how implausible, are still the facts … A complaint was received by the Pontiac Division of General Motors: “This is the second time I have written you, and I don’t blame you for not answering me, because I kind of sounded crazy, but it is a fact that we have a tradition in our family of ice cream for dessert after dinner each night. But the kind of ice cream varies so, every night, after we’ve eaten, the whole family votes on which kind of ice cream we should have and I drive down to the store to get it. It’s also a fact that I recently purchased a new Pontiac and since then my trips to the store have created a problem.

You see, every time I buy vanilla ice cream, when I start back from the store my car won’t start. If I get any other kind of ice cream, the car starts just fine. I want you to know I’m serious about this question, no matter how silly it sounds: ‘What is there about a Pontiac that makes it not start when I get vanilla ice cream, and easy to start whenever I get any other kind?'”

The Pontiac President was understandably skeptical about the letter, but sent an engineer to check it out anyway. The latter was surprised to be greeted by a successful, obviously well-educated man in a fine neighborhood. He had arranged to meet the man just after dinner time, so the two hopped into the car and drove to the ice cream store. It was vanilla ice cream that night and, sure enough, after they came back to the car, it wouldn’t start. The engineer returned for three more nights. The first night, the man got chocolate. The car started. The second night, he got strawberry. The car started. The third night he ordered vanilla. The car failed to start.

Now the engineer, being a logical man, refused to believe that this man’s car was allergic to vanilla ice cream. He arranged, therefore, to continue his visits for as long as it took to solve the problem. And toward this end he began to take notes: he jotted down all sorts of data, time of day, type of gas used, time to drive back and forth, etc. In a short time, he had a clue: the man took less time to buy vanilla than any other flavor. Why?

The answer was in the layout of the store. Vanilla, being the most popular flavor, was in a separate case at the front of the store for quick pickup. All the other flavors were kept in the back of the store at a different counter where it took considerably longer to find the flavor and get checked out. Now the question for the engineer was why the car wouldn’t start when it took less time. Once time became the problem — not the vanilla ice cream — the engineer quickly came up with the answer: vapor lock. It was happening every night, but the extra time taken to get the other flavors allowed the engine to cool down sufficiently to start. When the man got vanilla, the engine was still too hot for the vapor lock to dissipate.

Moral of the story: even insane-looking problems are sometimes real.

What it really means to be a friend

(By: Unknown)

One day a boy of about 16 years of age named Kyle was walking home from school. He was carrying many books and other items and was seemingly have a lot of trouble making it. Eventually, he tripped, and all the books and items fell from his arms. At that moment a young man named Will saw him from the other side of the road and walked over to see if there was anything he could do. He helped the boy pick up his things and carry them home. In the next three months, him and the boy became very close. And then on the last day of school, Will found a note in his locker. It read: Will, You don’t know this, but on that day three months ago, I had just cleaned out my locker. I was going to commit suicide. I thought no one cared about me. However, when you came over, I realized that someone did. So you see Will, when you picked up my books, you really picked up my life. Thank You, Kyle

Finding happiness

(By: Unknown)

A professor gave a balloon to every student, who had to inflate it, write their name on it and throw it in the hallway. The professor then mixed all the balloons. The students were then given 5 minutes to find their own balloon. Despite a hectic search, no one found their balloon. At that point, the professor told the students to take the first balloon that they found and hand it to the person whose name was written on it. Within 5 minutes, everyone had their own balloon. The professor said to the students: “These balloons are like happiness. We will never find it if everyone is looking for their own. But if we care about other people’s happiness, we’ll find ours too.”

Meer pagina’s met mooie verhalen

Wise sayings and quotes

On this page there is a list of famous wise and inspiring sayings and quotes that I like, or that mean a lot to me. I also put some of my own quotes on this page that I tried to translate from Dutch to English. I like inspiring sayings and quotes for as long as I live, and I have collected a lot of books filled with inspiring sayings and quotes. Most sayings and quotes are short powerful sentences, somtimes with some humor, somtimes cynical, and thay are able to explain complex matters in a simple way. An inspiring saying or quote can be used in powerpoint presentations or speaches to make them more poweful and inspiring. Regards, Hein Pragt


Creativity involves breaking out of established patterns in order to look at things in a different way.
(Edward De Bono )


Humor is by far the most significant activity of the human brain.

(Edward De Bono)


The thing that makes a creative person is to be creative and that is all there is to it.

(Edward Albee)


Whatever creativity is, it is in part a solution to a problem.

(Brian Aldiss)


The good ideas are all hammered out in agony by individuals, not spewed out by groups.

(Charles Browder)


Creativity is inventing, experimenting, growing, taking risks, breaking rules,
making mistakes, and having fun.
(Mary Lou Cook )


Creative minds have always been known to survive any kind of bad training.

(Anna Freud)


The things we fear most in organizations like fluctuations, disturbances, imbalances are the primary sources of creativity.

(Margaret J. Wheatley)


Anyone can look for fashion in a boutique or history in a museum. The creative explorer looks for history in a hardware store and fashion in an airport.

(Robert Wieder)


If I had no sense of humor, I would long ago have committed suicide.

(Mahatma Gandhi)


Humor is just another defense against the universe.

(Mel Brooks)


Humor is always based on a modicum of truth. Have you ever heard a joke about a father in law.

(Dick Clark)


There are things of deadly earnest that can only be mentioned under the cover of a joke.

(J. J. Procter)


One never needs their humor as much as when they argue with a fool.

(Chinese Proverb)


The absolute truth is the thing that makes people laugh.

(Carl Reiner)


Comedy is simply a funny way of being serious.

(Peter Ustinov)


The mind is like a parachute, it only functions when its open.

(Unknown)


Most ignorance is vincible ignorance. We don’t know because we don’t want to know.

(Unknown)


We are not human beings having a spiritual experience. We are spiritual beings having a human experience.

(Pierre Teilhard de Chardin)


Imagination is more important than knowledge. Knowledge is limited. Imagination encircles the world.

(Albert Einstein


When you stop learning you start dying

(M. Scott Adams)


A cynic is a man who knows the price of everything but the value of nothing.

(Oscar Wilde)


A little sincerity is a dangerous thing, and a great deal of it is absolutely fatal.

(Oscar Wilde)


A lot of people mistake a short memory for a clear conscience.

(Doug Larson)


A man can be happy with any woman, so long as he does not love her.

(Oscar Wilde)


A man cannot be too careful in his choice of enemies.

(Oscar Wilde)


A wise man gets more use from his enemies than a fool from his friends.

(Balthasar Gracian)


Act as if what you do makes a difference. It does.

(William James)


All men make mistakes, but married men find out about them sooner.

(Red Skelton)


All people are equal, it is not birth, it is virtue alone that makes the difference.

( Voltaire)


All women become like their mothers, that is their tragedy; no man does, that is his.

(Oscar Wilde)


An expert is a man who has made all the mistakes which can be made in a very narrow field.

(Niels Bohr)


Anyone can sympathize with the sufferings of a friend; it requires a very fine nature to sympathize with a friends’ success.

(Oscar Wilde)


Crying is the refuge of plain women and the ruin of pretty ones.

(Oscar Wilde)


Death is more universal than life; everyone dies but not everyone lives.

(A. Sachs)


Death is nature’s way of telling you to slow down.

(A.E. Newman)


Don’t be afraid to feel as angry or as loving as you can, because when you feel nothing, it’s just death.

(Lena Horne)


Doubt is the beginning, not the end, of wisdom.

(George Iles)


Empty pockets never held anyone back. Only empty heads and empty hearts can do that.

(Norman Vincent Peale)


Experience enables you to recognize a mistake when you make it again.

(Franklin P. Jones)


Experience is the name we all give to our mistakes.

(Oscar Wilde)


Fashion is what one wears oneself; what is unfashionable is what other people wear.

(Oscar Wilde)


For fascinating women, sex is a challenge; for others, it is merely a defence.

(Oscar Wilde)


Hot heads and cold hearts never solved anything.

(Billy Graham)


I can resist everything except temptation.

(Oscar Wilde)


I don’t want to make the wrong mistake.

(“Yogi” Berra)


I have always been of the opinion that a man about to get married should know either everything or nothing.

(Oscar Wilde)


I like men who have a future, and women who have a past.

(Oscar Wilde)


I never made a mistake in my life; at least, never one that I couldn’t explain away afterwards.

(Rudyard Kipling)


I sometimes think that God, in creating man, rather overestimated His ability.

(Oscar Wilde)


When God created the man, she made a big mistake.
(Unknown))


If humanity does not opt for integrity we are through completely. It is absolutely touch and go. Each one of us could make the difference.

(Buckminster Fuller)


If politicians and scientist were lazier, how much happier we should all be.

(Evelyn Waugh)


If you can’t make a mistake, you can’t make anything.

(Marva Collins)


If you think you’re too small to make a difference, you’ve obviously never been in bed with a mosquito.

(Michelle Walker)


In a few minutes a computer can make a mistake so great that it would take many men many months to equal it.

(Merle Meacham)


It’s easy to make a buck. It’s a lot tougher to make a difference.

(Tom Brokaw)


It’s not the will to win, but the will to prepare to win that makes the difference.

(Bear Bryant)


It’s not what you’ve got, it’s what you use that makes a difference.

(Zig Ziglar)


It’s not what you do once in a while, it’s what you do day in and day out that makes the difference.

(Jenny Craig)


It’s your unlimited power to care and to love that can make the biggest difference in the quality of your life.

(Anthony Robbins)


Kindness is more important than wisdom, and the recognition of this is the beginning of wisdom.

(Theodore Isaac Rubin)


Learning makes the wise wiser and the fool more foolish.

(John Ray)


Men are equal; it is not birth but virtue that makes the difference.

( Voltaire)


Men marry because they are tired, women because they are curious; both are disappointed.

(Oscar Wilde)


One fool can ask more questions in a minute than twelve wise men can answer in an hour.

(Nikolai Lenin)


Only a fool knows everything. A wise man knows how little he knows.

( Unknown)


Peace is not won by those who fiercely guard their differences but by those who with open minds and hearts seek out connections.

(Katherine Paterson)


People who don’t take risks generally make about 2 big mistakes a year. People who do take risks generally make about 2 big mistakes a year.

(Peter Drucker)


Perhaps loving something is the only starting place there is for making your life your own.

(Alice Koller)


Science fiction is no more written for scientists that ghost stories are written for ghosts.

(Brian Aldiss)


So long as we are loved by others I should say that we are almost indispensable; and no man is useless while he has a friend.

(Robert Louis Stevenson)


Some people are so afraid to die that they never begin to live.

(Henry Van Dyke)


Some people, no matter how old they get, never lose their beauty, they merely move it from their faces into their hearts.

(Martin Buxbaum)


The attainment of an ideal is often the beginning of a disillusion.

(Stanley Baldwin )


The beginning is the most important part of the work.

( Plato)


The beginning of wisdom is silence. The second step is listening.

( Unknown)


The fool thinks himself to be wise, but the wise man knows himself to be a fool.

(William Shakespeare)


The fool wanders, a wise man travels.

(Thomas Fuller)


The heart of a fool is in his mouth, but the mouth of a wise man is in his heart.

(Benjamin Franklin)


The mistakes of the fool are known to the world, but not to himself. The mistakes of the wise man are known to himself, but not to the world.

(Charles Caleb Colton)


The old believe everything; the middle-aged suspect everything; the young know everything.

(Oscar Wilde)


The proper basis for a marriage is mutual misunderstanding.

(Oscar Wilde)


The prudence of the best heads is often defeated by tenderness of the best hearts.

(Henry Fielding)


The scientist is not a person who gives the right answers, he is one who asks the right questions.

(Claude Levi-Strauss)


There are many who had rather meet their bitterest enemy in the field than their own hearts in their closet.

(Charles Caleb Colton)


There are three kinds of lies: lies, damned lies and statistics.

(Mark Twain)


There are three things extremely hard: steel, a diamond, and to know one’s self.

(Benjamin Franklin)


There are three things I always forget, names, faces and the third I can’t remember.

(Italo Svevo)


There are three ways to get something done – do it yourself, hire someone to do it, or ask your kids not to do it.

(Malcolm L. Kushner)


There are two mistakes one can make along the road to truth, not going all the way, and not starting.

( Buddha)


To fear love is to fear life, and those who fear life are already three parts dead.

(Bertrand Russell)


Two roads diverged in a woods, and I took the one less traveled by, and that has made all the difference.

(Robert Frost)


We can only learn to love by loving.

(Iris Murdoch)


We must remember that one determined person can make a significant difference, and that a small group of determined people can change the course of history.

(Sonia Johnson)


When it’s all over, it’s not who you were. . . it’s whether you made a difference.

(Bob Dole)


When we know to read our own hearts, we acquire wisdom of the heartsof others.

(Denis Diderot)


Whenever people agree with me, I always feel I must be wrong.

(Oscar Wilde)


Wise men don’t need advice. Fools won’t take it.

(Benjamin Franklin)


Wise men learn by other men’s mistakes, fools by their own.

(H. G. Bohn)


Wise men learn more from fools than fools from the wise.

( Cato the Elder)


Wise men talk because they have something to say; fools talk because they have to say something.

( Plato)


Women are meant to be loved, not understood.

(Oscar Wilde)


Women give to men the very gold of their lives; but they always want it back in small change.

(Oscar Wilde)


Yesterday is history, tomorrow is a mystery,today is a gift… that is why it is called “present”

(ou long)


The more we know, the better we know, how little we know.

((Unknow))


There is no such thing as a free lunch.
((Unknow))


Soldiers who want to be heroes, number practical zero.
((Rod McKuen))


What is a cynic? A man who knows the price of everything and the value of nothing.
((Oscar Wilde))


The world is full of willing people, some willing to work, the rest willing to let them.
((Robert Frost))


You can’t separate peace from freedom, because no one can be at peace unless he has his freedom.
((Malcolm X))


The difference between what we do and we are capable of doing would suffice to solve most of the world’s problems.
((Mahatma Gandhi))


A casual stroll through the lunatic asylum shows that faith does not prove anything.
(Friedrich Nietzsche)


A memory is what is left when something happens and does not completely unhappen.
(Edward de Bono)


A prince should therefore have no other aim or thought, nor take up any other thing for his study but war and it organization and discipline, for that is the only art that is necessary to one who commands.
(Niccolo Machiavelli)


Adaptability is not imitation. It means power of resistance and assimilation.
(Mahatma Gandhi)


Ambition is so powerful a passion in the human breast, that however high we reach we are never satisfied.
(Niccolo Machiavelli)


An eye for an eye makes the whole world blind.
(Mahatma Gandhi)


Art is the proper task of life.
(Friedrich Nietzsche)


As long as you derive inner help and comfort from anything, keep it.
(Mahatma Gandhi)


At times one remains faithful to a cause only because its opponents do not cease to be insipid.
(Friedrich Nietzsche)


Be careful when you fight the monsters, lest you become one.
(Friedrich Nietzsche)


But thus do I counsel you, my friends: distrust all in whom the impulse to punish is powerful!
(Friedrich Nietzsche)


Cleverness is like a lens with a very sharp focus. Wisdom is more like a wide-angle lens.
(Edward de Bono)


For the woman, the man is a means: the end is always the child.
(Friedrich Nietzsche)


Freedom is not worth having if it does not include the freedom to make mistakes.
(Mahatma Gandhi)


Happiness is when what you think, what you say, and what you do are in harmony.
(Mahatma Gandhi)


Hate the sin, love the sinner.
(Mahatma Gandhi)


He who blinded by ambition, raises himself to a position whence he cannot mount higher, must thereafter fall with the greatest loss.
(Niccolo Machiavelli)


He who has a why to live can bear almost any how.
(Friedrich Nietzsche)


He who has not first laid his foundations may be able with great ability to lay them afterwards, but they will be laid with trouble to the architect and danger to the building.
(Niccolo Machiavelli)


Honest differences are often a healthy sign of progress.
(Mahatma Gandhi)


I am prepared to die, but there is no cause for which I am prepared to kill.
(Mahatma Gandhi)


I believe in equality for everyone, except reporters and photographers.
(Mahatma Gandhi)


I object to violence because when it appears to do good, the good is only temporary; the evil it does is permanent.
(Mahatma Gandhi)


I still live, I still think: I still have to live, for I still have to think.
(Friedrich Nietzsche)


I want freedom for the full expression of my personality.
(Mahatma Gandhi)


I would not know what the spirit of a philosopher might wish more to be than a good dancer.
(Friedrich Nietzsche)


If an injury has to be done to a man it should be so severe that his vengeance need not be feared.
(Niccolo Machiavelli)


In Christianity neither morality nor religion come into contact with reality at any point.
(Friedrich Nietzsche)


In heaven all the interesting people are missing.
(Friedrich Nietzsche)


In the attitude of silence the soul finds the path in a clearer light, and what is elusive and deceptive resolves itself into crystal clearness. Our life is a long and arduous quest after Truth.
(Mahatma Gandhi)


In truth, there was only one Christian, and he died on the cross.
(Friedrich Nietzsche)


Indolence is a delightful but distressing state; we must be doing something to be happy.
(Mahatma Gandhi)


Insanity in individuals is something rare – but in groups, parties, nations and epochs, it is the rule.
(Friedrich Nietzsche)


Is man merely a mistake of God’s? Or God merely a mistake of man’s?
(Friedrich Nietzsche)


It is better to be violent, if there is violence in our hearts, than to put on the cloak of nonviolence to cover impotence.
(Mahatma Gandhi)


It is hard enough to remember my opinions, without also remembering my reasons for them!
(Friedrich Nietzsche)


It is nobler to declare oneself wrong than to insist on being right – especially when one is right.
(Friedrich Nietzsche)


It is the quality of our work which will please God and not the quantity.
(Mahatma Gandhi)


It is unwise to be too sure of one’s own wisdom. It is healthy to be reminded that the strongest might weaken and the wisest might err.
(Mahatma Gandhi)


Man is the cruelest animal.
(Friedrich Nietzsche)


Men judge generally more by the eye than by the hand, for everyone can see and few can feel. Every one sees what you appear to be, few really know what you are.
(Niccolo Machiavelli)


Morality is herd instinct in the individual.
(Friedrich Nietzsche)


No price is too high to pay for the privilege of owning yourself.
(Friedrich Nietzsche)


One must have a good memory to be able to keep the promises one makes.
(Friedrich Nietzsche)


One needs to be slow to form convictions, but once formed they must be defended against the heaviest odds.
(Mahatma Gandhi)


Poets are shameless with their experiences: they exploit them.
(Friedrich Nietzsche)


Since love and fear can hardly exist together, if we must choose between them, it is far safer to be feared than loved.
(Niccolo Machiavelli)


Strength does not come from physical capacity. It comes from an indomitable will.
(Mahatma Gandhi)


Talking much about oneself can also be a means to conceal oneself.
(Friedrich Nietzsche)


That which does not kill us makes us stronger.
(Friedrich Nietzsche)


The advantage of a bad memory is that one enjoys several times the same good things for the first time.
(Friedrich Nietzsche)


The Christian resolution to find the world ugly and bad has made the world ugly and bad.
(Friedrich Nietzsche)


The irrationality of a thing is no argument against its existence, rather a condition of it.
(Friedrich Nietzsche)


The man of knowledge must be able not only to love his enemies but also to hate his friends.
(Friedrich Nietzsche)


The most perfidious way of harming a cause consists of defending it deliberately with faulty arguments.
(Friedrich Nietzsche)


The surest way to corrupt a youth is to instruct him to hold in higher esteem those who think alike than those who think differently.
(Friedrich Nietzsche)


The visionary lies to himself, the liar only to others.
(Friedrich Nietzsche)


The weak can never forgive. Forgiveness is the attribute of the strong.
(Mahatma Gandhi)


There are no facts, only interpretations.
(Friedrich Nietzsche)


There are three classes of intellects: one which comprehends by itself; another which appreciates what others comprehend; and a third which neither comprehends by itself nor by the showing of others; the first is the most excellent, the second is good, and the third is useless.
(Niccolo Machiavelli)


There is always some madness in love. But there is also always some reason in madness.
(Friedrich Nietzsche)


There is no other way of guarding oneself against flattery than by letting men understand that they will not offend you by speaking the truth; but when everyone can tell you the truth, you lose their respect.
(Niccolo Machiavelli)


To be feared is much safer then to be loved.
(Niccolo Machiavelli)


To forget one’s purpose is the commonest form of stupidity.
(Friedrich Nietzsche)


Victory attained by violence is tantamount to a defeat, for it is momentary.
(Mahatma Gandhi)


We must become the change we want to see.
(Mahatma Gandhi)


What difference does it make to the dead, the orphans and the homeless, whether the mad destruction is wrought under the name of totalitarianism or the holy name of liberty or democracy?
(Mahatma Gandhi)


What is done out of love always takes place beyond good and evil.
(Friedrich Nietzsche)


Whatever you do will be insignificant, but it is very important that you do it.
(Mahatma Gandhi)


When neither their property nor their honor is touched, the marjority of men live content.
(Niccolo Machiavelli)


When one has much to put into them, a day has a hundred pockets.
(Friedrich Nietzsche)


When you stare into the abyss the abyss stares back at you.
(Friedrich Nietzsche)


You must be the change you want to see in the world.
(Mahatma Gandhi)


You must not lose faith in humanity. Humanity is an ocean; if a few drops of the ocean are dirty, the ocean does not become dirty.
(Mahatma Gandhi)


You need chaos in your soul to give birth to a dancing star.
(Friedrich Nietzsche)


Meer pagina’s met mooie verhalen

De vier ruiters van de Apocalyps

Oorspronkelijk komen deze ruiters voor in hoofdstuk 6 van het boek Openbaring uit het Nieuwe Testament. De Amerikaanse psycholoog John Gottman heeft er zijn eigen wending aan gegeven als een methode om te zien of een relatie is gedoemd te mislukken. Alles heeft te maken met communicatie, goed kunnen praten, vooral goed kunnen luisteren en conflicten vreedzaam oplossen. Wanneer een of beide partners niet (meer) normaal kunnen praten en luisteren, dan ziet het er somber uit voor de relatie. Volgens John Gottman is elke slechte en tot mislukken gedoemde relatie meteen te herkennen aan de manier waarop partners met elkaar communiceren bij onenigheid.

Wanneer bijvoorbeeld de discussie over een heikel punt zoals het buitenzetten van de vuilnis begint met een negatieve en verwijtende opmerking, dan zet dat al meteen de poort open voor wat hij ‘de vier ruiters van de Apocalyps’ noemt. Een zeer schadelijke vorm van communicatie die tot de ondergang van de relatie zal leiden. Hier volgende de omschrijving van de vier ruiters:

De eerste ruiter is kritiek, in plaats van een klacht te uiten in de vorm van “ik dacht dat jij de vuilnis buiten zou zetten”, wordt meteen een venijnige aanval op het karakter van de ander gelanceerd zoals “je bent dus zoals gewoonlijk te belazerd om iets te doen”.

De tweede ruiter is minachting, door te vechten met hatelijkheden, sarcasme en cynisme als: “ach mens, heb je weer wat te zeuren!”.

De derde ruiter is de schuld bij de ander leggen, in het Engels “blameshifting” waarbij men de eigen fouten vaak niet wil zien en deze juist projecteert op de partner. “je zegt wel wat van mij maar jij doet zelf ook…enz..”.

De vierde ruiter is tevens de meest dodelijke en dat is (quasi) onverschilligheid en een muur van zwijgzaamheid optrekken en de ander emotioneel buitensluiten. Niets meer willen zeggen en boos gaan slapen is een bekend voorbeeld.

In een “goede relatie” kunnen partners hartstochtelijk ruzie maken en zullen zelden deze vier ruiters opduiken. Wanneer beide partner van elkaar houden en om elkaar geven, zullen ze zelfs tijdens een ruzie er voor waken elkaar op karakter te bekritiseren en te beschadigen, elkaar niet kleineren en belachelijk maken, niet de partner de rug toe te keren en zeker niet met veel (verbaal) geweld de eigen zin doordrijven. Elke vorm van elkaar opzettelijk pijn doen tijdens een ruzie breekt de liefde langzaam af.

Partners met een duurzame relatie blijven zelfs in de hitte van de strijd elkaar subtiele signalen te geven (verbaal of non-verbaal) dat ze elkaar respecteren en vertrouwen. Om de schade te beperken zullen ze tijdens de ruzie geregeld kleine herstel pogingen ondernemen en elkaar openingen bieden om sorry te zeggen (zonder gezichtsverlies) of een compromis te sluiten. Niet zelden is de liefde groter na de ruzie dan daarvoor en het komt ook regelmatig voor dat dit dus eindigt in een vrijpartij om het weer helemaal goed te maken. De kunst van een goede relatie is dus de vier ruiters te vermijden!

Meer pagina’s met mooie verhalen

De rijke man en zijn vier vrouwen

Er was eens een rijke man die vier vrouwen had, hij hield het meest van de vierde vrouw. Hij sloofde zich voor haar uit, kocht dure kleren voor haar en alles wat kostbaar was. Hij zorgde heel goed voor haar en deed steeds zijn uiterste best. Hij hield ook veel van zijn derde vrouw. Hij was heel trots op haar en wou altijd met haar pronken als ze naar vrienden gingen. Nochtans was hij altijd verschrikkelijk bang dat ze hem ooit zou verlaten voor een andere man. Ook hield de rijke man van zijn tweede vrouw, ze was altijd in de weer voor hem, altijd geduldig, ze was eigenlijk zijn vertrouwelinge. Wanneer hij problemen had, kon hij altijd bij haar terecht en ze kon hem dan ook steeds helpen de moeilijke tijden door te komen. Zijn eerste vrouw was een zeer loyale partner en leverde grote bijdragen om zijn rijkdom en zijn zaken te onderhouden. Ze zorgde steeds perfect voor het huishouden en hoewel de eerste vrouw veel van haar man hield, hield de rijke man toch niet van haar en hij bekeek haar nauwelijks. Maar op een dag werd de rijke man ziek en hij wist dat hij binnenkort zou gaan sterven. Hij dacht na over het luxeleven dat hij altijd geleid had en zei bij zichzelf: “Nu heb ik vier vrouwen, maar als ik sterf, ben ik alleen, wat zal ik eenzaam zijn!”. Dus vroeg hij aan de vierde vrouw: “ik hield van jou het meest, heb je altijd de kostbaarste dingen gegeven en goed voor je gezorgd. Nu ik binnenkort zal sterven, wil jij me volgen en me gezelschap houden?”. “Geen sprake van!” antwoordde de vierde vrouw en ze liep weg zonder verder nog iets te zeggen. Het antwoord sneed als een scherp mes in het hart van de rijke man.

De verdrietige rijke man vroeg aan zijn derde vrouw: “ik heb mijn hele leven zoveel van je gehouden, nu ik binnenkort zal sterven, wil jij me volgen en me gezelschap houden?”. “Nee! antwoordde de derde vrouw, het leven is hier zo goed! Wanneer jij sterft, ga ik hertrouwen!”. De rijke man’s hart werd koud bij het horen van die harde woorden.” Daarna vroeg hij aan de tweede vrouw: “ik ben altijd bij jou gekomen als ik hulp nodig had en je hebt me altijd uit de nood geholpen. Nu heb ik opnieuw hulp nodig, wanneer ik zal sterven, wil jij me volgen en me gezelschap houden?”. Het spijt me, maar deze keer kan ik je niet helpen!” zei de tweede vrouw. Het enige dat ik voor je kan doen is je naar je graf begeleiden.” Het antwoord kwam als een donderslag bij heldere hemel en de rijke man was helemaal van zijn stuk gebracht. Opeens klonk er een stem: “ik zal met je meegaan, ik zal je volgen, waar je ook gaat.” De rijke man keek op en zag zijn eerste vrouw, ze was graatmager, alsof ze ondervoed was. Dankbaar, maar toch met spijt in zijn hart zei de rijke man: “ik had beter voor je moeten zorgen toen ik het nog kon!”.

Eigenlijk hebben we allemaal vier vrouwen in ons leven… de vierde is ons lichaam, het maakt niet uit hoeveel kosten, tijd en moeite we besteden om het er goed te laten uitzien, het zal ons toch verlaten als we sterven. Onze derde vrouw is onze bezittingen, status en rijkdom, wanneer we sterven, gaan ze allemaal naar anderen. De tweede vrouw is onze familie en vrienden, het maakt niet uit hoe dierbaar ze ons zijn geweest tijdens ons leven, de verst dat ze kunnen meegaan is tot aan ons graf. De eerste vrouw is onze ziel, ze wordt dikwijls verwaarloosd in het nastreven van materiële rijkdom en plezier. En in feite is het het enige dat ons volgt, waar we ook zullen gaan, misschien is het beter om het nu aandacht te schenken, dan ermee te wachten tot het te laat is.

Meer pagina’s met mooie verhalen