|
Heinpragt.com
(c) Hein Pragt |
Taalfoutje melden! | Mijn
|
|
|
|
|
Echtscheiding II pagina, een internet pagina met wetteksten die betrekking hebben
op echtscheidingen en omgangsrecht. Er is veel aandacht besteed aan de correctheid van de informatie op deze pagina, mocht u eventueel toch nog een opmerking hebben laat het mij dan even via een email weten. Bij het lezen van de teksten dient u wel te bedenken dat er bij deze wet ook veel jurisprudentie hoort, de wettekst is soms voor meedere uitleg vatbaar. De rechtbank geeft werking aan de wet in de praktijk en de wet gaat tevens van redelijkheid uit. Deze wettekst staat hier ter aanvulling van de echtscheiding pagina. Met vriendelijke groeten, Hein Pragt Pagina menu Niets pleegt meer een aanslag op je rechtvaardigheidsgevoel dan een echtscheiding. (Hein Pragt) Inhoud opgave
Titel 9. Ontbinding van het huwelijkAfdeling 1. Ontbinding van het huwelijk in het algemeenArt. 149 Het huwelijk eindigt: Afdeling 2. EchtscheidingArt. 150 Echtscheiding tussen echtgenoten die niet van tafel en bed gescheiden zijn, wordt uitgesproken op verzoek van één der echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek. Art. 151 Echtscheiding wordt op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. Art. 153 1. Indien als gevolg van de verzochte echtscheiding
een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot
na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou
teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot
deswege tegen dat verzoek verweer voert, kan deze niet worden toegewezen
voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de
omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk
is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen. Art. 154 1. Echtscheiding wordt op gemeenschappelijk verzoek
van de echtgenoten uitgesproken indien het verzoek is gegrond op hun
beider oordeel dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. Art. 155 In geval van echtscheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de echtscheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in deze Wet toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten. Art. 157 1. De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking
of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten
tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven,
op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering
tot levensonderhoud toekennen. Art. 158 Vóór of na de beschikking tot echtscheiding kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 157, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing. Art. 159 1. Bij de overeenkomst kan worden bedongen dat zij
niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond
van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan slechts
schriftelijk worden gemaakt. Art. 159a Een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 158 en 159 van dit boek staat niet in de weg aan verhaal op grond van artikel 93 van de Algemene bijstandswet en laat de vaststelling van het te verhalen bedrag onverlet. Art. 160 Een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Art. 163 1. De echtscheiding komt tot stand door de inschrijving
van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Art. 164 1. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap
van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang
van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden
heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen
als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming
of machtiging heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van
de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte
schade aan de gemeenschap te vergoeden. Art. 165 1. Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij
de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen dat,
als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking
een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede
toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot
bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot
de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving
van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten. Art. 166 Indien de gescheiden echtgenoten met elkander hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan, herleven alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege, alsof er geen echtscheiding had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk of het geregistreerd partnerschap zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der handeling. Op het maken of wijzigen van de voorwaarden, bedoeld in titel 8, voor het aangaan van het nieuwe huwelijk of de registratie vindt artikel 119 overeenkomstige toepassing. Titel 10. Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bedAfdeling 1. Scheiding van tafel en bedArt. 169 1. Scheiding van tafel en bed kan worden verzocht
op dezelfde grond en op dezelfde wijze als echtscheiding. Art. 173 1. De scheiding van tafel en bed komt tot stand door
de inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister,
aangewezen in artikel 116. Art. 174 1. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap
van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij
na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór
lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft
verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek
zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij
gehouden, nadat de beschikking waarbij de scheiding van tafel en bed
is uitgesproken, is ingeschreven, de aangerichte schade aan de gemeenschap
te vergoeden. Art. 175 1. Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij
de beschikking houdende scheiding van tafel en bed of bij latere uitspraak
bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van
de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend
of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot
bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot
de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving
van de beschikking, tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.
Art. 176 1. Een scheiding van tafel en bed eindigt door de
verzoening van de echtgenoten, op het tijdstip dat zij op hun eensluidend
verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116,
hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan. Afdeling 2. Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bedArt. 179 1. Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die
van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op verzoek van een der echtgenoten
uitgesproken, indien de scheiding tenminste drie jaren heeft geduurd. Art. 180 1. Indien als gevolg van de gevraagde ontbinding
van het huwelijk een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere
echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft
gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere
echtgenoot deswege tegen het verzoek verweer voert, kan het verzoek
niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen
die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide
echtgenoten billijk is te achten. Art. 181 Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op hun gemeenschappelijk verzoek uitgesproken. Art. 182 De artikelen 154, tweede lid, en 157 tot en met 160 van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid, bedoelde termijnen worden verminderd met de tijd gedurende welke tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116. Art. 183 1. De ontbinding van het huwelijk komt tot stand
door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke
stand. Titel 15. Omgang en informatieArt. 377a 1. Het kind en de niet met het gezag belaste ouder
hebben recht op omgang met elkaar. Art. 377b 1. De ouder die met het gezag is belast, is gehouden
de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent
gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen
van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van
derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een
ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. Art. 377c 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 377b van
dit boek wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door
derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke
feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging
en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde
de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die
met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn
gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen
het verschaffen van informatie verzet. Art. 377d 1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van
dit artikel, begint de uitoefening van het recht op omgang zodra de
desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of, indien
zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking
is verstrekt of verzonden. Art. 377e 1. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of
van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de
ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien
de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing
van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Art. 377f 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 377a, kan
de rechter op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind
en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
De rechter kan het verzoek afwijzen, indien het belang van het kind
zich tegen toewijzing verzet of indien het kind, dat twaalf jaar of
ouder is, bezwaar maakt. Art. 377g De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 377a, 377b of 377f, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 377e van dit boek wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Art. 377h 1. Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening kan
de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen
inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn
gewone verblijfplaats niet heeft, of inzake het verschaffen van informatie
aan dan wel het raadplegen van die ouder als bedoeld in artikel 377b,
eerste lid, dan wel inzake het verschaffen van informatie als bedoeld
in artikel 377c, eerste en tweede lid, van dit boek. Titel 17. LevensonderhoudAfdeling 1. Algemene bepalingenArt. 392 1. Tot het verstrekken van levensonderhoud zijn op
grond van bloed- of aanverwantschap gehouden: Art. 394 De verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, alsmede de man die als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, is als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie overeenkomstig de artikelen 395a en 395b. Nadien bestaat deze verplichting slechts in geval van behoeftigheid van het kind. Art. 395 Een stiefouder is, onverminderd het bepaalde in artikel 395a van dit boek, alleen verplicht gedurende zijn huwelijk of zijn geregistreerd partnerschap levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende minderjarige kinderen van zijn echtgenoot of geregistreerde partner. Art. 395a 1. Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten
van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de
leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt. Art. 395b 1. Heeft de rechter het bedrag bepaald, dat een
ouder of stiefouder dan wel, overeenkomstig artikel 394, de verwekker
of de man die in artikel 394 daarmee gelijk is gesteld ter zake van
de verzorging en opvoeding van zijn minderjarig kind of stiefkind
moet betalen en is deze verplichting tot aan het meerderjarig worden
van het kind van kracht geweest, dan geldt met ingang van dit tijdstip
de rechterlijke beslissing als een tot bepaling van het bedrag ter
zake van levensonderhoud en studie als in artikel 395a van dit boek
bedoeld. Art. 396 1. De verplichting van behuwdkinderen en van schoonouders
tot het verstrekken van onderhoud vervalt, wanneer het huwelijk van
het behuwdkind is ontbonden. Art. 397 1. Bij de bepaling van het volgens de wet door bloed-
en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt enerzijds
rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde
en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. Art. 398 1. Wanneer hij die tot levensonderhoud verplicht
is, buiten staat is het daartoe vereiste geld op te brengen, kan de
rechtbank bevelen, dat hij de bloed- of aanverwant, aan wie hij levensonderhoud
verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het nodige
voorzien. Art. 399 De rechter kan de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde, dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd; onverminderd hetgeen in de volgende afdeling is bepaald omtrent de voorziening in de kosten van de verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen. Art. 400 1. Indien een persoon verplicht is levensonderhoud
te verstrekken aan twee of meer personen, en zijn draagkracht onvoldoende
is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn echtgenoot,
zijn vroegere echtgenoot, zijn geregistreerde partner, zijn vroegere
geregistreerde partner, zijn ouders, zijn kinderen en stiefkinderen
voorrang boven zijn behuwdkinderen en zijn schoonouders. Art. 401 1. Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst
betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak
worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging
van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De voorafgaande zin is niet van toepassing op een verzoek tot wijziging
van een termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van artikel
157 of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel
158. Art. 402 1. De rechter, die het bedrag van een uitkering tot
levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, stelt tevens de dag vast,
van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te zijn. Art. 402a 1. De bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst
vastgestelde bedragen voor levensonderhoud worden jaarlijks van rechtswege
gewijzigd met een door Onze Minister van Justitie vast te stellen
percentage, dat, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid,
overeenkomt met het procentuele verschil tussen het indexcijfer der
lonen per 30 september van enig jaar en het overeenkomstige indexcijfer
in het voorafgaande jaar. Art. 403 Geen uitkering is verschuldigd over de tijd, die op het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds meer dan vijf jaren is verstreken. Afdeling 2. Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderenArt. 404 1. Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien
in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Art. 406 1. Komt een ouder of stiefouder zijn verplichting
tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet
behoorlijk na, dan kan de andere ouder of voogd de rechtbank verzoeken
het bedrag te bepalen dat deze ouder of stiefouder ten behoeve van
het kind zal moeten uitkeren. Art. 406a Een op artikel 394 gegrond verzoek kan ten behoeve van een minderjarig kind door hem die het gezag over het kind heeft, worden gedaan. De ouder of voogd van het kind behoeft de in artikel 349, eerste en tweede lid, bedoelde machtiging niet. Art. 406b 1. De erfgenamen van de in artikel 394 bedoelde
verwekker of van de man die in artikel 394 daarmee gelijk is gesteld,
kunnen na zijn overlijden verplicht worden tot betaling van een som
ineens ter zake van levensonderhoud en studie van het kind dat de
leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt. Art. 407 Gelijktijdig met een door de rechtbank te geven uitspraak betreffende het over de kinderen uit te oefenen gezag na ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed kan de rechtbank op verzoek van een ouder het bedrag wijzigen van een, in verband met de voorafgegane gezagsvoorziening, bepaalde periodieke uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding. Art. 408 1. Een uitkering tot voorziening in de kosten van
verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud
en studie, waarvan het bedrag in een rechterlijke beslissing, daaronder
begrepen de beslissing op grond van artikel 822, eerste lid, onder
c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is vastgelegd,
wordt ten behoeve van de minderjarige aan de ouder die het kind verzorgt
en opvoedt of aan de voogd onderscheidenlijk aan de meerderjarige
betaald. Titel 13. MinderjarigheidAfdeling 3. De raad voor de kinderbeschermingArt. 238 1. Er is één raad voor de kinderbescherming. Art. 239 1. De raad voor de kinderbescherming kan optreden
ten behoeve van minderjarigen die in Nederland hetzij hun woonplaats
of laatste woonplaats, hetzij hun werkelijk verblijf hebben. Eveneens
kan de raad optreden ten behoeve van Nederlandse minderjarigen die
in Nederland noch woonplaats, noch laatste woonplaats, noch werkelijk
verblijf hebben. Art. 241 1. Indien de raad voor de kinderbescherming blijkt,
dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat,
of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, verzoekt hij de
rechter in de gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien. Art. 241a Op de uitoefening van de voorlopige voogdij door een voogdij-instelling is artikel 243 van dit Boek van overeenkomstige toepassing. Art. 242 De raad voor de kinderbescherming stelt zich op de hoogte van alle gevallen, waarin maatregelen met betrekking tot het gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden. Art. 243 1. De gemeentebesturen en ambtenaren van de burgerlijke
stand verschaffen de raad voor de kinderbescherming kosteloos alle
inlichtingen, en verstrekken de raad kosteloos alle afschriften en
uittreksels uit hun registers, die de raad ter uitvoering van zijn
taak van hen vraagt. Wanneer de raad voor de kinderbescherming een
taak vervult of een bevoegdheid uitoefent op grond van een van de
bepalingen van deze titel of van de titels 9, 10, 14, 15 en 17 van
dit boek, alsmede op grond van de daarmee verband houdende bepalingen
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verschaffen de bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties of personen
de raad kosteloos die inlichtingen die voor een goede uitoefening
van zijn taak noodzakelijk zijn. Afdeling 4. Registers betreffende het over minderjarigen uitgeoefende gezagArt. 244 Bij de rechtbanken berusten openbare registers, waarin aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten die op het over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden, en op welke wijze deze aantekening geschiedt. |
|
Disclaimer. |