Echtscheiding II pagina, een internet pagina met wetteksten die betrekking hebben
op echtscheidingen en omgangsrecht.
Er is veel aandacht besteed aan de correctheid van de informatie op
deze pagina, mocht u eventueel toch nog een opmerking hebben laat het
mij dan even via een email weten.
Bij het lezen van de teksten dient u wel te bedenken dat er bij deze
wet ook veel jurisprudentie hoort, de wettekst is soms voor meedere
uitleg vatbaar. De rechtbank geeft werking aan de wet in de praktijk
en de wet gaat tevens van redelijkheid uit. Deze wettekst staat hier
ter aanvulling van de echtscheiding pagina.
Met vriendelijke groeten, Hein Pragt
Pagina menu
Niets pleegt meer een aanslag op je rechtvaardigheidsgevoel dan een echtscheiding.
(Hein Pragt)
Inhoud opgave
Titel 9. Ontbinding van het huwelijk
Afdeling 1. Ontbinding van het huwelijk in het algemeen
Art. 149 Het huwelijk eindigt:
a. door de dood;
b. indien de vermiste, die overeenkomstig de bepalingen van de tweede
of derde afdeling van de achttiende titel van dit boek vermoedelijk
overleden dan wel overleden is verklaard, nog in leven is op de dag
waarop de achtergebleven echtgenoot een nieuw huwelijk of geregistreerd
partnerschap is aangegaan: door de voltrekking van dit huwelijk of
geregistreerd partnerschap;
c. door echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van de tweede
afdeling van deze titel;
d. door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed,
overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeling van de tiende
titel van dit boek; e. door omzetting van een huwelijk in een geregistreerd
partnerschap.
Afdeling 2. Echtscheiding
Art. 150 Echtscheiding tussen echtgenoten die niet van tafel
en bed gescheiden zijn, wordt uitgesproken op verzoek van één der
echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek.
Art. 151 Echtscheiding wordt op verzoek van één der echtgenoten
uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is.
Art. 153 1. Indien als gevolg van de verzochte echtscheiding
een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot
na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou
teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot
deswege tegen dat verzoek verweer voert, kan deze niet worden toegewezen
voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de
omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk
is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot
zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen;
b. indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende
mate te wijten is aan de andere echtgenoot.
Art. 154 1. Echtscheiding wordt op gemeenschappelijk verzoek
van de echtgenoten uitgesproken indien het verzoek is gegrond op hun
beider oordeel dat het huwelijk duurzaam ontwricht is.
2. Ieder der echtgenoten is tot op het tijdstip der uitspraak bevoegd
het verzoek in te trekken.
Art. 155 In geval van echtscheiding en voor zover de ene echtgenoot
na de huwelijkssluiting en voor de echtscheiding pensioenaanspraken
heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde
bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding recht
op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien
in deze Wet toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten.
Art. 157 1. De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking
of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten
tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven,
op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering
tot levensonderhoud toekennen.
2. Bij de vaststelling van de uitkering kan de rechter rekening houden
met de behoefte aan een voorziening in het levensonderhoud voor het
geval van overlijden van degene die tot de uitkering is gehouden.
3. De rechter kan op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering
toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn. Deze
vaststelling kan niet ten gevolge hebben dat de uitkering later eindigt
dan 12 jaar na de datum van inschrijving van de beschikking in de
registers van de burgerlijke stand.
4. Indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de verplichting
tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn
van 12 jaar, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking
in de registers van de burgerlijke stand.
5. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken
van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard
is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd
is niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog
een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend
voordat 3 maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter
bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst
daarvan al dan niet mogelijk is.
6. Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan 5 jaar en
uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting
tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn
die gelijk is aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum
van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke
stand. Indien de rechter een termijn vaststelt, kan deze vaststelling
niet ten gevolge hebben dat de uitkering op een later tijdstip eindigt
dan ingevolge de vorige zin het geval zou zijn. Het vijfde lid is
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in de eerste
zin in plaats van "de in het vierde lid bedoelde termijn" wordt gelezen:
de in de eerste zin bedoelde termijn.
Art. 158 Vóór of na de beschikking tot echtscheiding kunnen
de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag,
na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot
diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst
geen termijn is opgenomen, is artikel 157, vierde tot en met zesde
lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 159 1. Bij de overeenkomst kan worden bedongen dat zij
niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond
van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan slechts
schriftelijk worden gemaakt.
2. Het beding vervalt, indien de overeenkomst is aangegaan vóór de
indiening van het verzoek tot echtscheiding, tenzij dit binnen drie
maanden na de overeenkomst is ingediend. Het voorgaande is van overeenkomstige
toepassing bij een gemeenschappelijk verzoek.
3. Ondanks een zodanig beding kan op verzoek van een der partijen
de overeenkomst door de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of
bij latere beschikking worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende
wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden
gehouden.
Art. 159a Een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 158
en 159 van dit boek staat niet in de weg aan verhaal op grond van
artikel 93 van de Algemene bijstandswet en laat de vaststelling van
het te verhalen bedrag onverlet.
Art. 160 Een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit
hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij,
eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd
partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als
waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.
Art. 163 1. De echtscheiding komt tot stand door de inschrijving
van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2. De inschrijving geschiedt op verzoek van partijen of van één van
hen.
3. Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes
maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is
gegaan, verliest de beschikking haar kracht.
Art. 164 1. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap
van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang
van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden
heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen
als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming
of machtiging heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van
de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte
schade aan de gemeenschap te vergoeden.
2. Een op het vorige lid gegronde rechtsvordering kan niet later worden
ingesteld dan drie jaren na de inschrijving van de beschikking.
Art. 165 1. Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij
de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen dat,
als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking
een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede
toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot
bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot
de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving
van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.
2. Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de
andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen
ten nadele van zijn in het vorige lid omschreven bevoegdheid.
3. Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te
verklaren, dan kan de rechtbank die in eerste aanleg over het verzoek
tot echtscheiding heeft beslist, op verzoek van de andere gewezen
echtgenoot, bepalen dat het vorige lid buiten toepassing blijft.
Art. 166 Indien de gescheiden echtgenoten met elkander hertrouwen
of een geregistreerd partnerschap aangaan, herleven alle gevolgen
van het huwelijk van rechtswege, alsof er geen echtscheiding had plaats
gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen
de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk of het geregistreerd
partnerschap zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der handeling.
Op het maken of wijzigen van de voorwaarden, bedoeld in titel 8, voor
het aangaan van het nieuwe huwelijk of de registratie vindt artikel
119 overeenkomstige toepassing.
Titel 10. Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk
na scheiding van tafel en bed
Afdeling 1. Scheiding van tafel en bed
Art. 169 1. Scheiding van tafel en bed kan worden verzocht
op dezelfde grond en op dezelfde wijze als echtscheiding.
2. De artikelen 151, 154 tot en met 159a zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de termijnen, bedoeld in artikel
157, derde tot en met zesde lid, aanvangen op de dag waarop de beschikking
tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister,
aangewezen in artikel 116, en dat de duur van het huwelijk wordt berekend
tot die dag.
3. Een verplichting van een echtgenoot om uit hoofde van scheiding
van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen aan de andere echtgenoot,
eindigt bij ontbinding van het huwelijk.
Art. 173 1. De scheiding van tafel en bed komt tot stand door
de inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister,
aangewezen in artikel 116.
2. De inschrijving geschiedt op verzoek van de echtgenoten of van
één van hen.
3. Indien het verzoek niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag
waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de
beschikking haar kracht.
Art. 174 1. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap
van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij
na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór
lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft
verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek
zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij
gehouden, nadat de beschikking waarbij de scheiding van tafel en bed
is uitgesproken, is ingeschreven, de aangerichte schade aan de gemeenschap
te vergoeden.
2. Een op het eerste lid gegronde rechtsvordering kan niet later worden
ingesteld dan drie jaren na de inschrijving van de beschikking van
scheiding van tafel en bed.
Art. 175 1. Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij
de beschikking houdende scheiding van tafel en bed of bij latere uitspraak
bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van
de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend
of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot
bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot
de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving
van de beschikking, tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.
2. Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de
andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen
ten nadele van zijn in het vorige lid omschreven bevoegdheid.
3. Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te
verklaren, dan kan de rechtbank die in eerste aanleg over het verzoek
tot scheiding van tafel en bed heeft beslist, op verzoek van de andere
echtgenoot bepalen dat het vorige lid buiten toepassing blijft.
Art. 176 1. Een scheiding van tafel en bed eindigt door de
verzoening van de echtgenoten, op het tijdstip dat zij op hun eensluidend
verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116,
hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan.
2. De inschrijving doet alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege
herleven, alsof er geen scheiding van tafel en bed had plaatsgehad.
Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de scheiding
van tafel en bed en de verzoening zijn verricht, beoordeeld naar het
tijdstip van de handeling.
Afdeling 2. Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en
bed
Art. 179 1. Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die
van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op verzoek van een der echtgenoten
uitgesproken, indien de scheiding tenminste drie jaren heeft geduurd.
2. De termijn van drie jaren kan op verzoek van een echtgenoot worden
bekort tot ten minste een jaar, indien de andere echtgenoot zich gedurig
schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot,
die het verzoek heeft gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk
te doen voortbestaan.
Art. 180 1. Indien als gevolg van de gevraagde ontbinding
van het huwelijk een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere
echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft
gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere
echtgenoot deswege tegen het verzoek verweer voert, kan het verzoek
niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen
die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide
echtgenoten billijk is te achten.
De rechter kan daartoe een termijn stellen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot
zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen;
b. indien de andere echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag
in zodanige mate dat van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan
naar redelijkheid generlei verstrekking van levensonderhoud zou kunnen
worden gevergd.
Art. 181 Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van
tafel en bed gescheiden zijn, wordt op hun gemeenschappelijk verzoek
uitgesproken.
Art. 182 De artikelen 154, tweede lid, en 157 tot en met 160
van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid, bedoelde termijnen
worden verminderd met de tijd gedurende welke tijdens de scheiding
van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud jegens de andere
echtgenoot bestond en dat de duur van het huwelijk wordt berekend
tot de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is
ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel
116.
Art. 183 1. De ontbinding van het huwelijk komt tot stand
door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke
stand.
2. De artikelen 163, tweede en derde lid, en 166 van dit boek zijn
van overeenkomstige toepassing.
Titel 15. Omgang en informatie
Art. 377a 1. Het kind en de niet met het gezag belaste ouder
hebben recht op omgang met elkaar.
2. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al
dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van
het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd,
het recht op omgang.
3. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke
ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden
geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige
bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het
kind.
4. Tot kennisneming van de in dit artikel bedoelde verzoeken is de
rechtbank bevoegd. Indien evenwel een procedure inzake gezagstoewijzing
bij de kantonrechter aanhangig is, kan een verzoek tot vaststelling
van een omgangsregeling in verband daarmee aan de kantonrechter worden
gedaan.
Art. 377b 1. De ouder die met het gezag is belast, is gehouden
de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent
gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen
van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van
derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een
ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
2. Indien het belang van het kind zulks vereist kan de rechter zowel
op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen
dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.
3. De artikelen 377a, vierde lid, en 377e van dit boek zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 377c 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 377b van
dit boek wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door
derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke
feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging
en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde
de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die
met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn
gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen
het verschaffen van informatie verzet.
2. Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek van
de in het eerste lid van dit artikel bedoelde ouder bepalen dat de
informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt.
De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang
van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.
3. Het vierde lid van artikel 377a van dit boek is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 377d 1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van
dit artikel, begint de uitoefening van het recht op omgang zodra de
desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of, indien
zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking
is verstrekt of verzonden.
2. De uitoefening van het recht op omgang begint, indien tevens een
beschikking inzake het gezag is of wordt gegeven, niet eerder dan
op het tijdstip waarop voor de andere ouder of voor de voogd het gezag
is begonnen.
Art. 377e 1. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of
van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de
ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien
de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing
van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
2. Een verzoek tot wijziging van een beslissing inzake de omgang wordt
aan de kantonrechter gedaan, indien de te wijzigen beslissing door
de kantonrechter is gegeven.
Art. 377f 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 377a, kan
de rechter op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind
en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
De rechter kan het verzoek afwijzen, indien het belang van het kind
zich tegen toewijzing verzet of indien het kind, dat twaalf jaar of
ouder is, bezwaar maakt.
2. Het bepaalde in de artikelen 377a, vierde lid, 377d en 377e van
dit boek is van overeenkomstige toepassing.
Art. 377g De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige
van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing
geven op de voet van de artikelen 377a, 377b of 377f, dan wel zodanige
beslissing op de voet van artikel 377e van dit boek wijzigen. Hetzelfde
geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet
heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering
van zijn belangen ter zake.
Art. 377h 1. Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening kan
de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen
inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn
gewone verblijfplaats niet heeft, of inzake het verschaffen van informatie
aan dan wel het raadplegen van die ouder als bedoeld in artikel 377b,
eerste lid, dan wel inzake het verschaffen van informatie als bedoeld
in artikel 377c, eerste en tweede lid, van dit boek.
2. De artikelen 377a, vierde lid, 377e en 377g van dit boek zijn van
overeenkomstige toepassing.
Titel 17. Levensonderhoud
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Art. 392 1. Tot het verstrekken van levensonderhoud zijn op
grond van bloed- of aanverwantschap gehouden:
a. de ouders;
b. de kinderen;
c. behuwdkinderen, schoonouders en stiefouders.
2. Deze verplichting bestaat, behalve wat betreft ouders en stiefouders
jegens hun minderjarige kinderen en stiefkinderen en jegens hun kinderen
bedoeld in artikel 395a van dit boek, slechts in geval van behoeftigheid
van de tot levensonderhoud gerechtigde.
3. De in het eerste lid genoemde personen zijn niet verplicht levensonderhoud
te verstrekken, voor zover dit van de echtgenoot of een vroegere echtgenoot
dan wel de geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner
overeenkomstig het in de vijfde titel a, zesde, negende of tiende
titel van dit boek bepaalde kan worden verkregen.
Art. 394 De verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft,
alsmede de man die als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met
een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad,
is als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van
verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van
de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van
levensonderhoud en studie overeenkomstig de artikelen 395a en 395b.
Nadien bestaat deze verplichting slechts in geval van behoeftigheid
van het kind.
Art. 395 Een stiefouder is, onverminderd het bepaalde in artikel
395a van dit boek, alleen verplicht gedurende zijn huwelijk of zijn
geregistreerd partnerschap levensonderhoud te verstrekken aan de tot
zijn gezin behorende minderjarige kinderen van zijn echtgenoot of
geregistreerde partner.
Art. 395a 1. Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten
van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de
leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt.
2. Een stiefouder is gedurende zijn huwelijk of zijn geregistreerd
partnerschap jegens de tot zijn gezin behorende meerderjarige kinderen
van zijn echtgenoot of geregistreerde partner die de leeftijd van
een en twintig jaren niet hebben bereikt, verplicht te voorzien in
de bij het vorige lid bedoelde kosten.
Art. 395b 1. Heeft de rechter het bedrag bepaald, dat een
ouder of stiefouder dan wel, overeenkomstig artikel 394, de verwekker
of de man die in artikel 394 daarmee gelijk is gesteld ter zake van
de verzorging en opvoeding van zijn minderjarig kind of stiefkind
moet betalen en is deze verplichting tot aan het meerderjarig worden
van het kind van kracht geweest, dan geldt met ingang van dit tijdstip
de rechterlijke beslissing als een tot bepaling van het bedrag ter
zake van levensonderhoud en studie als in artikel 395a van dit boek
bedoeld.
2. Hetzelfde geldt, indien met toepassing van Hoofdstuk VII van de
Wet op de jeugdhulpverlening het bedrag is vastgesteld dat de ouder
of stiefouder ter bestrijding van de kosten van de in artikel 41f,
tweede lid, van die wet bedoelde maatregelen aan het Landelijk Bureau
Inning Onderhoudsbijdragen moet uitkeren.
Art. 396 1. De verplichting van behuwdkinderen en van schoonouders
tot het verstrekken van onderhoud vervalt, wanneer het huwelijk van
het behuwdkind is ontbonden.
2. De verplichting bestaat niet jegens een behuwdkind, dat is gescheiden
van tafel en bed en jegens een schoonouder, nadat deze is hertrouwd.
Art. 397 1. Bij de bepaling van het volgens de wet door bloed-
en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt enerzijds
rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde
en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon.
2. Zijn meerdere bloed- of aanverwanten tot het verstrekken van levensonderhoud
aan dezelfde persoon verplicht, dan is ieder van hen gehouden een
deel van het bedrag te voldoen, dat de tot onderhoud gerechtigde behoeft.
Bij de bepaling van dit deel wordt rekening gehouden met ieders draagkracht
en de verhouding, waarin een ieder tot de gerechtigde staat.
Art. 398 1. Wanneer hij die tot levensonderhoud verplicht
is, buiten staat is het daartoe vereiste geld op te brengen, kan de
rechtbank bevelen, dat hij de bloed- of aanverwant, aan wie hij levensonderhoud
verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het nodige
voorzien.
2. Ouders zijn steeds bevoegd de rechter te verzoeken hun toe te staan
zich van hun onderhoudsplicht jegens hun behoeftig meerderjarig kind
op de in het eerste lid omschreven wijze te kwijten.
Art. 399 De rechter kan de verplichting van bloed- en aanverwanten
tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen van
de tot onderhoud gerechtigde, dat verstrekking van levensonderhoud
naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd; onverminderd
hetgeen in de volgende afdeling is bepaald omtrent de voorziening
in de kosten van de verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen
en stiefkinderen.
Art. 400 1. Indien een persoon verplicht is levensonderhoud
te verstrekken aan twee of meer personen, en zijn draagkracht onvoldoende
is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn echtgenoot,
zijn vroegere echtgenoot, zijn geregistreerde partner, zijn vroegere
geregistreerde partner, zijn ouders, zijn kinderen en stiefkinderen
voorrang boven zijn behuwdkinderen en zijn schoonouders.
2. Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud
wordt afgezien, zijn nietig.
Art. 401 1. Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst
betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak
worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging
van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De voorafgaande zin is niet van toepassing op een verzoek tot wijziging
van een termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van artikel
157 of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel
158.
2. De termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van het derde
of vijfde lid dan wel zesde lid, tweede zin van artikel 157 of die
is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158, kan op
verzoek van een van de gewezen echtgenoten worden gewijzigd in geval
van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving
van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet
van de verzoeker kan worden gevergd.
Verlenging is niet mogelijk indien de rechter zulks ingevolge artikel
157, vijfde lid, heeft bepaald. Op een verzoek tot verlenging is het
vijfde lid, tweede en derde zin, van artikel 157 van overeenkomstige
toepassing.
3. Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat het eerste lid, eerste
zin, van toepassing is op een verzoek tot wijziging van een termijn
die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158.
4. Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook
worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet
aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak
van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5. Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd
of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de
wettelijke maatstaven.
Art. 402 1. De rechter, die het bedrag van een uitkering tot
levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, stelt tevens de dag vast,
van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te zijn.
2. Bij de vaststelling van een bedrag bepaalt de rechter tevens of
dit wekelijks, maandelijks of driemaandelijks moet worden voldaan.
3. Zouden op de dag, dat de uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd,
reeds meer dan één termijn verschenen zijn of meer dan één termijn
terugbetaald moeten worden, dan kan de rechter ook daarvoor een betaling
in termijnen toestaan.
Art. 402a 1. De bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst
vastgestelde bedragen voor levensonderhoud worden jaarlijks van rechtswege
gewijzigd met een door Onze Minister van Justitie vast te stellen
percentage, dat, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid,
overeenkomt met het procentuele verschil tussen het indexcijfer der
lonen per 30 september van enig jaar en het overeenkomstige indexcijfer
in het voorafgaande jaar.
2. De wijziging gaat in op 1 januari volgende op de in het eerste
lid genoemde datum. De beschikking waarin het percentage is vastgesteld,
wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder indexcijfer
der lonen wordt verstaan.
4. Het percentage van de wijziging van de bedragen voor levensonderhoud
kan worden afgerond op tienden van een procent. Daarbij vindt, indien
van het in het eerste lid bedoelde procentuele verschil het tweede
of een volgend cijfer achter de komma vijf bedraagt, voor wat betreft
die cijfers afronding naar beneden plaats.
5. De wijziging van rechtswege kan bij rechterlijke uitspraak of bij
overeenkomst geheel of voor een bepaalde tijdsduur worden uitgesloten.
Daarbij kan tevens worden bepaald dat en op welke wijze het bedrag
voor levensonderhoud anders dan van rechtswege periodiek zal worden
gewijzigd.
6. Bij de uitspraak, waarbij de tweede zin van het vorige lid toepassing
heeft gevonden, en ook nadien, kan de rechter een regeling geven omtrent
de wijze en de tijdstippen waarop de tot uitkering verplichte persoon
aan de tot uitkering gerechtigde persoon gegevens dient te verschaffen
ten behoeve van de vaststelling van de wijziging van het bedrag voor
levensonderhoud. Deze beslissingen kunnen worden gegeven en nadien
worden gewijzigd op verzoek van de tot uitkering verplichte of gerechtigde
persoon.
7. De uitsluiting van de wijziging van rechtswege kan bij rechterlijke
uitspraak worden ingetrokken. Voor zover het een uitsluiting betreft
waarbij de tweede zin van het vijfde lid niet is toegepast, kan de
intrekking alleen geschieden in de gevallen bedoeld in artikel 401
van dit boek.
8. De tenuitvoerlegging van een executoriale titel betreffende de
betaling van levensonderhoud geschiedt met inachtneming van de op
het tijdstip van de tenuitvoerlegging ingegane wijzigingen van rechtswege
dan wel met inachtneming van de wijzigingen overeenkomstig de tweede
zin van het vijfde lid van dit artikel.
Art. 403 Geen uitkering is verschuldigd over de tijd, die
op het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds meer dan vijf
jaren is verstreken.
Afdeling 2. Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding
van minderjarige kinderen en stiefkinderen
Art. 404 1. Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien
in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.
2. Gelijke verplichting bestaat voor een stiefouder in het geval van
artikel 395 van dit boek.
Art. 406 1. Komt een ouder of stiefouder zijn verplichting
tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet
behoorlijk na, dan kan de andere ouder of voogd de rechtbank verzoeken
het bedrag te bepalen dat deze ouder of stiefouder ten behoeve van
het kind zal moeten uitkeren.
2. De rechtbank kan het in het vorige lid bedoelde bedrag reeds bepalen
gelijktijdig met een door haar te geven beslissing omtrent het gezag.
Art. 406a Een op artikel 394 gegrond verzoek kan ten behoeve
van een minderjarig kind door hem die het gezag over het kind heeft,
worden gedaan. De ouder of voogd van het kind behoeft de in artikel
349, eerste en tweede lid, bedoelde machtiging niet.
Art. 406b 1. De erfgenamen van de in artikel 394 bedoelde
verwekker of van de man die in artikel 394 daarmee gelijk is gesteld,
kunnen na zijn overlijden verplicht worden tot betaling van een som
ineens ter zake van levensonderhoud en studie van het kind dat de
leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt.
2. De in het vorige lid bedoelde som is ten hoogste gelijk aan het
wettelijk erfdeel waartoe het kind gerechtigd zou zijn geweest, indien
de erflater zijn vader was.
3. De aanspraken moeten door de wettelijke vertegenwoordiger van het
kind of het kind zelf binnen een jaar na het overlijden van de erflater
bij de rechtbank geldend worden gemaakt.
Art. 407 Gelijktijdig met een door de rechtbank te geven uitspraak
betreffende het over de kinderen uit te oefenen gezag na ontbinding
van het huwelijk na scheiding van tafel en bed kan de rechtbank op
verzoek van een ouder het bedrag wijzigen van een, in verband met
de voorafgegane gezagsvoorziening, bepaalde periodieke uitkering tot
voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.
Art. 408 1. Een uitkering tot voorziening in de kosten van
verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud
en studie, waarvan het bedrag in een rechterlijke beslissing, daaronder
begrepen de beslissing op grond van artikel 822, eerste lid, onder
c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is vastgelegd,
wordt ten behoeve van de minderjarige aan de ouder die het kind verzorgt
en opvoedt of aan de voogd onderscheidenlijk aan de meerderjarige
betaald.
2. Op verzoek van een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid, van
een onderhoudsplichtige dan wel op gezamenlijk verzoek van een gerechtigde
en onderhoudsplichtige neemt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
de invordering van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel
wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van
dit Bureau. De overhandiging daarvan machtigt het Bureau tot het doen
van de invordering, zo nodig door middel van executie.
3. Kosten van invordering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
worden verhaald op de onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten
van gerechtelijke vervolging en executie. Het verhaal van kosten vindt
plaats door wijziging van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, volgens
bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
4. Tot invordering op verzoek van een onderhoudsgerechtigde wordt
slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter gelegenheid van de indiening
van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat binnen ten hoogste zes
maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek de onderhoudsplichtige
ten aanzien van ten minste één periodieke betaling tekort is geschoten
in zijn verplichtingen. In deze gevallen geschiedt de invordering
van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste
zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.
5. Alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan wordt
de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van ontvangst in kennis
gesteld van het voornemen daartoe en de reden daarvoor, alsmede van
het bedrag inclusief de kosten van invordering. Het Landelijk Bureau
Inning Onderhoudsbijdragen wordt bevoegd tot invordering over te gaan
op de veertiende dag na de verzending van de brief.
6. De invordering die op verzoek van de onderhoudsgerechtigde geschiedt,
eindigt slechts, indien gedurende ten minste een half jaar regelmatig
is betaald aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en
er geen bedragen meer verschuldigd zijn als bedoeld in het vierde
lid, tweede volzin. De termijn van een half jaar wordt telkens verdubbeld,
indien een voorgaande termijn van invordering ook op verzoek van de
onderhoudsgerechtigde was aangevangen.
7. Een invordering die geldt op het tijdstip van het meerderjarig
worden van het kind, wordt ten behoeve van de meerderjarige voortgezet,
tenzij deze op zijn verzoek wordt beëindigd.
8. De tenuitvoerlegging van een executoriale titel betreffende de
betaling van de kosten van verzorging en opvoeding of levensonderhoud
en studie geschiedt met inachtneming van de wijziging, bedoeld in
het derde lid.
9. Invorderingen die tien jaren nadat de minderjarige de leeftijd
van een en twintig jaren heeft bereikt, nog niet door het Landelijk
Bureau Inning Onderhoudsbijdragen zijn verwezenlijkt, mogen worden
beëindigd. De onderhoudsgerechtigde wordt hiervan schriftelijk op
de hoogte gesteld.
10. Een betaling door de onderhoudsplichtige strekt in de eerste plaats
in mindering van de kosten, bedoeld in het derde lid, vervolgens in
mindering van eventueel verschenen rente en ten slotte in mindering
van de verschuldigde onderhoudsgelden en de eventueel lopende rente.
11. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen draagt zorg, dat
de gelden die ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen worden
uitgekeerd, aan de daarop rechthebbenden worden uitbetaald. Indien
uitbetaling plaatsvindt aan een gemeente als rechthebbende, wordt
op de aan het Bureau uitgekeerde gelden een door Onze Minister van
Justitie te bepalen deel in mindering gebracht ter bestrijding van
de kosten welke met de invordering van de gelden zijn gemoeid.
12. Artikel 243, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Titel 13. Minderjarigheid
Afdeling 3. De raad voor de kinderbescherming
Art. 238 1. Er is één raad voor de kinderbescherming.
2. De wet bepaalt de taken en bevoegdheden van de raad voor de kinderbescherming.
Deze worden door de raad voor de kinderbescherming namens onze Minister
van Justitie uitgevoerd.
3. Ten behoeve van de vervulling van zijn taak houdt de raad zich
in ieder geval op de hoogte van de ontwikkeling van de kinderbescherming,
bevordert hij de samenwerking met de instellingen van kinderbescherming
en jeugdhulpverlening en dient hij op verzoek of uit eigen beweging
autoriteiten en instellingen van advies.
4. Zijn bemoeiingen laten de godsdienstige of levensbeschouwelijke
grondslag van de instellingen van kinderbescherming onverlet.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden de zetel en de organisatie
van de raad geregeld.
Art. 239 1. De raad voor de kinderbescherming kan optreden
ten behoeve van minderjarigen die in Nederland hetzij hun woonplaats
of laatste woonplaats, hetzij hun werkelijk verblijf hebben. Eveneens
kan de raad optreden ten behoeve van Nederlandse minderjarigen die
in Nederland noch woonplaats, noch laatste woonplaats, noch werkelijk
verblijf hebben.
2. Ten behoeve van de minderjarigen die binnen een arrondissement
hetzij hun woonplaats of laatste woonplaats, hetzij hun werkelijk
verblijf hebben, treden voor de raad voor de kinderbescherming de
in dat arrondissement aanwezige werkeenheden van de raad op.
3. Indien op grond van het vorige lid meer werkeenheden in verschillende
arrondissementen bevoegd zouden zijn ten behoeve van een zelfde minderjarige
op te treden, doet het optreden van een van deze werkeenheden de bevoegdheid
van de ander eindigen.
4. Ten behoeve van Nederlandse minderjarigen, die in Nederland noch
woonplaats, noch laatste woonplaats, noch werkelijk verblijf hebben,
treden de werkeenheden van de raad in het arrondissement Amsterdam
op voor de raad voor de kinderbescherming.
5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de behandeling van klachten
ter zake van een bij de raad in behandeling zijnde of geweest zijnde
aangelegenheid van kinderbescherming geregeld.
Art. 241 1. Indien de raad voor de kinderbescherming blijkt,
dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat,
of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, verzoekt hij de
rechter in de gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien.
2. Indien dit ter voorkoming van ernstig gevaar voor de zedelijke
of geestelijke belangen of voor de gezondheid van zulk een minderjarige
dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan de kinderrechter een voogdij-instelling
als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening, belasten
met de voorlopige voogdij over de minderjarige. De raad voor de kinderbescherming
wendt zich in dit geval binnen zes weken tot de rechter teneinde een
voorziening in het gezag over deze minderjarige te verkrijgen.
3. De in het tweede lid bedoelde maatregel kan eveneens worden getroffen
indien een minderjarige, de leeftijd van zes maanden nog niet bereikt
hebbende en niet staande onder voogdij van een rechtspersoon, zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de raad voor de kinderbescherming
als pleegkind is opgenomen.
4. De kinderrechter beschikt op verzoek van de raad voor de kinderbescherming
of van de officier van justitie. Hij stelt vast welke bevoegdheden
ten aanzien van persoon en vermogen van deze minderjarige worden toegekend
en bepaalt de duur van de maatregel.
5. De maatregel vervalt na verloop van zes weken, tenzij voor het
einde van de termijn aan de rechter een voorziening in het gezag over
de minderjarige is verzocht.
6. De maatregel kan worden ingetrokken of gewijzigd door de kinderrechter
die haar heeft bevolen tenzij een verzoek als bedoeld in het vijfde
lid is ingediend. In dat geval beslist de rechter bij wie dit verzoek
aanhangig is.
Art. 241a Op de uitoefening van de voorlopige voogdij door
een voogdij-instelling is artikel 243 van dit Boek van overeenkomstige
toepassing.
Art. 242 De raad voor de kinderbescherming stelt zich op de
hoogte van alle gevallen, waarin maatregelen met betrekking tot het
gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden.
Art. 243 1. De gemeentebesturen en ambtenaren van de burgerlijke
stand verschaffen de raad voor de kinderbescherming kosteloos alle
inlichtingen, en verstrekken de raad kosteloos alle afschriften en
uittreksels uit hun registers, die de raad ter uitvoering van zijn
taak van hen vraagt. Wanneer de raad voor de kinderbescherming een
taak vervult of een bevoegdheid uitoefent op grond van een van de
bepalingen van deze titel of van de titels 9, 10, 14, 15 en 17 van
dit boek, alsmede op grond van de daarmee verband houdende bepalingen
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verschaffen de bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties of personen
de raad kosteloos die inlichtingen die voor een goede uitoefening
van zijn taak noodzakelijk zijn.
2. Alle verzoeken die de raad voor de kinderbescherming ter uitvoering
van zijn taak tot de rechter richt, worden kosteloos behandeld; de
grossen, afschriften en uittreksels, die hij tot dat doel aanvraagt,
worden hem door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.
3. Exploiten door de deurwaarders ten verzoeke van de raad voor de
kinderbescherming uitgebracht, worden volgens het gewone tarief vergoed.
Procureurs kunnen voor hun aan de raad voor de kinderbescherming bewezen
diensten salaris in rekening brengen.
4. Wanneer de raad voor de kinderbescherming op grond van een van
de bepalingen van deze titel, of van de titels 9, 10, 12, 14, 15 en
17 van dit boek in rechte optreedt, kan hij dit zonder procureur of
advocaat doen, behalve in gedingen die met een dagvaarding aanvangen.
Afdeling 4. Registers betreffende het over minderjarigen uitgeoefende
gezag
Art. 244 Bij de rechtbanken berusten openbare registers, waarin
aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten die op het over minderjarigen
uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden, en op welke wijze
deze aantekening geschiedt.
Last update: 12-09-2005
Disclaimer.
Hoewel de heer Hein Pragt de informatie beschikbaar op deze pagina met grote zorg
samenstelt, sluit de heer Pragt alle aansprakelijkheid uit met betrekking tot
de informatie die, in welke vorm dan ook, via zijn site wordt aangeboden. Het
opnemen van een afbeelding of verwijzing is uitsluitend bedoeld als een mogelijke
bron van informatie voor de bezoeker en mag op generlei wijze als instemming,
goedkeuring of afkeuring worden uitgelegd, noch kunnen daaraan rechten worden
ontleend. Op de artikelen van de heer Pragt op deze Internet Site rust
auteursrecht. Overname van informatie (tekst en afbeeldingen) is uitsluitend
toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Voor vragen
over copyright en het gebruik van de informatie op deze site kunt u contact opnemen
met: (email: copyright@heinpragt.com)
Webdesign: © Hein Pragt
Fotografie: © Hein Pragt
Auteur: © Hein Pragt (Veenendaal - Utrecht - Nederland)
Privacy beleid
Wij maken gebruik van externe advertentiebedrijven om advertenties weer te geven wanneer u onze website
bezoekt. Deze bedrijven gebruiken mogelijk informatie (niet uw naam, adres, e-mailadres of telefoonnummer)
over uw bezoek aan deze of aan andere websites om advertenties weer te geven over goederen en services
waarin u wellicht geïnteresseerd bent. Als u hierover meer informatie wenst of als u wilt voorkomen dat
deze bedrijven deze informatie gebruiken, klikt u op
deze link.
|